TRUC

De blinddoek, vier envelopjes waarop vier dun kartonnen kaarten in de kleuren rood, geel, blauw en groen. Ik kijk ernaar en denk: hiermee gaat het gebeuren. Het ziet er weinig spectaculair uit en het heeft met show niks te maken, maar ik weet zeker dat de voorstelling een succes wordt.

Ik sta voor het raam van mijn kamer kijk naar beneden de tuin in. Richard zit op het terras te studeren, met zijn benen op tafel. Zondagochtend, een mooier moment bestaat niet. Blauwe lucht, beetje wolken. Geen wind. Niemand zal ons storen. Ik loop naar de boekenplank, waar het goochelboek ligt. De omslag kan ik dromen.


Grote broer zou zijn hersens moeten pijnigen, zoals bij het doorzagen en weer heel maken van onze kat. Helaas stond zoiets er niet in. Wel een paginagrote advertentie van een goochelstudio in Amsterdam.
Moeder had nooit toestemming gegeven als ik had gezegd helemaal alleen naar de grote stad te gaan. Op die magische plaats moest ik wel slagen, een geweldige truc vinden, een illusie! Desnoods al het spaargeld van de bank halen mocht dat nodig zijn.

Trillend van de zenuwen belde ik aan.
‘Wat zoek je?’, vroeg de lachende man nadat hij mij binnen had gelaten in een halfduistere ruimte met een toneeltje in de verte. Zou hij wel vaker een jongen van vijftien binnenlaten die een goochelnummer zocht? Ik wilde zeggen dat mijn broer gek gemaakt moest worden. Met een truc die de onverslaanbare grootheid en gemeenheid van hem onderuit zou halen en zijn mond voorgoed dicht timmeren. Direct gingen mij ogen naar vitrines waar bekers, rode ballen, touw, munten, glimmende ringen uitgelicht door spots. Aan de muur veel tekeningen met strepen en kreten, uitpuilende ogen van mensen. Een vinger in een guillotine, veel bloed spatte in het rond. Zoiets moest ik hebben! Maar met nog meer verbaasde gezichten ernaast was de vinger weer heel. Nee, dat was niet de bedoeling.


Ik knikte naar de attributen en glimlachte. De man begreep het verkeerd, dacht dat ik een truc aanwees en daarover de uitleg vroeg.
‘Je bedoelt dat wonder?’, klonk het enthousiast naast mij.
Een wonder sprak mij direct aan. Dat klonk alsof het vanzelf zou gaan. Zonder lang oefenen. Geen vingervlugheid. Ik knikte ondanks dat de spullen er weinig opwindend uitzagen.
‘Het mag er saai uitzien, maar geloof me, dit is een geweldige truc, absolute top!’

Richard haalt ineens zijn benen van tafel haalt en staat op. Gelukkig rekt hij zich alleen maar uit. Nadat hij zijn armen en benen los heeft geschud gaat hij dit keer gewoon achter de tafel zitten. Nog even, dan is het grote moment echt aangebroken. De truc is inderdaad geweldig. Voor de zekerheid had ik gevraagd of de uitvoering ook herhaalbaar was. De magier knikte en had mij verzekerd dat deze kleine illusie altijd opnieuw met groot succes kon worden vertoond.
‘De blinddoek krijg je er gratis bij. Lukt het niet, dan krijg je je geld terug.’
Ik vertrouwde zijn verkooppraatje niet helemaal. Onbegrijpelijk voor elke toeschouwer stond er boven de beschrijving.

Ik kijk naar mijn handen. Ze trillen licht. Er is geen reden nerveus te zijn. Het kan niet fout gaan. Naast het bureau leg ik kaarten en enveloppen in de blinddoek.
Richting trap neem ik de handelingen voor de allerlaatste keer door. Misschien krijg ik straks wel applaus vanaf de balkons van buren die uitkijken op de tuin.
Het is verstandig geweest geen vriend erbij te vragen omdat Richard dan aan een afspraak of samenzwering kan denken.
Ik loop door de keuken. Niet in paniek raken als Richard straks de truc niet wil zien.
Ineens denk ik aan de droom van de afgelopen nacht waarin Richard met een speciale bril dwars door mij heen keek en de manipulatie zag die ik uitvoerde.

De overgang naar het felle zonlicht doet pijn aan mijn ogen. Bij elke stap richting terras lijken mijn benen zwaarder te worden. Ik haal diep adem en probeer me zo breed en groot mogelijk te maken. Ik moet als een gek aan een stuk door slikken. Rustig, zo kalm mogelijk leg ik de doek op tafel.
Ineens lijkt het of iemand mijn keel dicht knijpt. Richard kijkt op van zijn boek. Losjes stel ik voor een goocheltruc voor hem te doen.
‘Het duurt niet lang’, klinkt het half schor met een onnatuurlijk hoog geluid. Mijn broer fronst zijn wenkbrauwen.
‘Een goocheltruc, goochel jij? O ja, jij goochelt tegenwoordig he?’


Ik begrijp niets van zijn reactie. Hij weet altijd alles maar voor deze voorstelling die ik in het geheim heb voorbereid is dat onmogelijk. De verklaring met de instructies heb ik verbrand. Zou hij op mijn kamer zijn geweest en de gekleurde kaarten hebben gezien en de mapjes onderzocht? Nee, niet aan denken. Onzin. Hij zegt maar wat. Dat is het. Nooit mag iemand denken dat hij iets niet weet! Deze gedachte stelt mij gerust hoewel het trillen van mijn handen toeneemt.
‘Zo’, zegt Richard en kijkt naar wat ik op tafel leg.
Glimlachend schik ik de kaarten. Het zonlicht valt gedeeltelijk op de tafel waardoor de vier kleuren enige show geven, ook al is dat minimaal.
‘O.k. dan, als het niet lang duurt.’


Hij draait zijn boek om en komt naast mij staan.
‘Is dat alles?’
Ik knik. Uit mijn ooghoek zie ik dat hij licht voorover buigt. Logisch, hij probeert alles wat ik doe goed in de gaten te houden. Zo ongemerkt mogelijk haal ik telkens adem.
Bij het blinddoeken grijpt hij mij beet, draait mij om en trekt de doek hard aan. Dat doet pijn maar dat moet ik er voor over hebben.
Wanneer hij stop zegt bevries ik een beweging. Plotseling eist hij dat ik mijn hemd uittrek zodat hij kan zien of iets aan de armen of op het lichaam is verborgen.
‘Zal ik mijn broek ook uittrekken?’, vraag ik behulpzaam.
‘Nee, dat is niet nodig, ik kom er wel achter’, klinkt het zelfverzekerd.


Mijn handen voelen klef aan en ik veeg ze af.
‘Wat doe je met je handen?’
Ik schud het hoofd, draai ze losjes rond en glimlach. Elke beweging, hoe klein ook houdt hij in de gaten. Een vraag klinkt alsof ik een misdadiger ben die verboden handelingen verricht. Alsof ik na de voorstelling direct opgesloten ga worden.
Tegen het eind, wanneer het duidelijk is dat het niet meer mis kan gaan beginnen mijn benen te trillen. Ik vraag hem de kleur van de gekozen kaart te noemen.
‘Geel!’
De blinddoek trek ik van mijn hoofd en zie dat hij de gele kaart uit de envelop haalt. Zijn ogen staan groter dan normaal; zijn gezicht lijkt op een van de tekeningen in de vitrine.


Stomverbaasd blijft hij als verstijfd staan. Zijn ogen bewegen wild. Ik blijf naar hem staren, geniet van dit moment, onderdruk met de grootste moeite de energie die vrij komt.
Uit het niets klinkt het ineens krachtig:
‘Nog een keer!’
Direct buig ik me over de tafel en schuif de andere kaarten ook uit de mapjes. De truc opnieuw doen, precies zoals de goochelverkoper zei: eindeloos herhaalbaar. Maar in het voorwoord van het boek staat dat het nooit verstandig is een truc direct te herhalen.
Richard pakt de blinddoek en bestudeert hem grondig.
‘Ehh, ik moet … heel nodig…..’ Met het hoofd knik ik richting keuken en knijp de benen licht samen. Hij reageert niet. Ik ren weg en sluit me op in het toilet.


Die verkoper kent mijn broer niet, die man ging uit van een eerlijk publiek. Wat nu als hij gaat liegen? Bij de tweede keer wil hij gegarandeerd winnen, ten koste van alles!
Schoorvoetend loop ik terug naar de tafel. Is het mogelijk een valsspeler te verslaan? Daarover heb ik nog nooit iets gelezen. Op tafel valt mijn oog op een pen.
Richard kijkt dit keer direct op, legt zijn boek snel weg en knikt met zijn hoofd ten teken dat de voorstelling kan beginnen. Hij buigt zich nog verder voorover, zijn neus raakt bijna mijn handen. Ik pak de envelopjes in de ene hand en houd met de andere de blinddoek op. Knik naar de kaarten.
‘Zet voor de zekerheid je handtekening op de kaart die je kiest.’
Het was even stil. Hij denkt na.


‘Nee, wacht even, stop…..niet opnieuw. Eigenlijk is het een flauwe truc.’
Ik kijk hem verbaasd aan en krijg de blinddoek in de handen gedrukt. Hij grijnst.
‘Nee, ik weet iets beters. Je gaat me vertellen hoe het werkt.’
Zonder iets te zeggen graai ik mapjes en kaarten van tafel. Zo snel mogelijk ervan door.
‘Vertel. Vertel!’, sist hij.
Wat hij ook doet, al martelt hij me tot ik dood ben, ik vertel het niet, nooit, al vermoordt hij me, nooit, nooit vertel ik het geheim. Ik rees richting huis. Hoor dat hij de achtervolging inzet. Door de keuken en de gang de trap op. In de haast stoot ik tegen de trapleuning en zowel enveloppen als kaarten glijden uit de doek. In een keer glip ik mijn kamer in en draai bevend de sleutel om.


Met de rug tegen de deur wacht ik hijgend af. Na een harde bons van de andere kant is het stil. Op de overloop klinkt gescharrel.
‘Als echte goochelaar kun je kapotte dingen heel maken. Leg je oor maar tegen de deur.’
Hoewel ik dat niet wil, doe ik het toch en hoor het geluid van scheuren. Daarna is het stil. Met de blinddoek veeg ik het zweet van mijn voorhoofd.
Voorzichtig doe ik de deur open. Snippers van de verscheurde enveloppen en kaarten liggen verspreid over de grond.


Op bed neem ik de schade op. Niets is meer bruikbaar. Ik pak de resten van de gele kaart, zoek een punaise en prik ze boven het bed. Nog nooit was hij zo kwaad. Ik loop weer naar het raam.
Geruime tijd blijf ik naar hem staren. Het is toch allemaal echt gebeurd? Geen droom.
Plotseling heft hij het hoofd op en draait zich mijn kant op alsof hij voelt dat hij wordt begluurd. Ik duik weg.
Van achter de tafel kijk ik naar de resten van de gele kaart. Heeft de truc hem iets gedaan? Of is hij het alweer vergeten, stelde het voor hem niks voor?
Maar als ik hem heb geraakt……. dan is de vraag…. hoe diep?

Joop Brussee

juni 2008

OVERZICHT