R.I.P.

Ongewild kijk ik naar de grote familiefoto op de muur, gemaakt tijdens haar vorige huwelijk. Het gebeurt bij elk bezoek. Zij lacht. Dat was de periode in haar leven dat ze gelukkig was vertelt ze aan iedereen die het wil horen. Helaas overleed hij en ze trouwde mijn vader.
Zoals altijd wil ik zo snel mogelijk haar huis weer uit. Terug naar Amsterdam waar ik studeer. Ze vraagt wat ik wil drinken. Terwijl zij naar de keuken loopt pak ik een krant van een stapel. Lokale kranten uit Leiden bewaart zij op mijn verzoek. Het geeft me iets te doen. Leidt af van nieuwe familieverhalen die mij niet interesseren.


Wanneer het geruime tijd stil blijft laat ik de krant zakken.
‘Binnenkort doe ik mee aan een bijzonder project.’
Ze kijkt me vragend aan. Ik vouw de krant op.
‘Een oud leraar, inmiddels een vriend heeft subsidie gekregen om een environment in een oude leegstaande melkfabriek op te zetten. Hij heeft mij gevraagd mee te doen, als een soort stage.’
Ze knikt, zegt niets.
‘Over de dood. Met voorstellingen en films. Hij is leider van een toneelgroep.’
‘Een toneelstuk in een fabriek?’
‘Ja, nee, ja, dat ook. Van alles gaat er gebeuren. Toneel in een zaal, een levend dodenspel, films, een begraafplaats en een zelfmoord ruimte. Hij gaf mij twee plekken om in te richten, een crematorium en een lijkenboetiek.’
‘Een wat?’
‘Allemaal speels bedoeld. Hij wil het taboe rond de dood en de angst daarvoor doorbreken.’
Ze doet duidelijk haar best niet in mijn richting te kijken.
‘Je moet maar zin hebben in zo’n onderwerp. Speels bedoeld, zei je?’
‘Ja.’
Ik merk dat mijn ogen de foto weer opzoeken, draai snel mijn hoofd naar het raam.

In het centrum van Amsterdam lopen James en ik langs een gracht. Een bewolkte dag aan het eind van de zomer. Het oude gebouw achter de schouwburg staat al jaren leeg en is rijp voor de sloop. Een maand lang zal in de herfst hier het environment rond de dood plaatsvinden: Liever geen bloemen. We staan stil voor de ophaalbrug, kijken naar de troosteloze gevel. Grauw, hier en daar graffiti op de muur en ingegooide ruiten.
Mijn vriend stapt als eerste de brug op waar hij verroeste fietsen opzij zet die de toegang deels blokkeren. Ik dacht aan mijn moeder, stel me voor dat ze als bezoeker deze brug over loopt. Over de dood werd thuis nooit gesproken. Als kind werd ik weggehouden bij de begrafenis van een oma. Biedt dit een kans?

Met een hoop geknars beweegt een van de twee metalen deuren een tiental centimeters om plotseling door te schieten. We tuimelen naar binnen. Direct overvalt ons de stilte in de gigantische ruimte. Zwijgend kijken we rond. Scherven glas, flarden papier en hier en daar stukken stenen op de grond. Verkleurde witte tegels en delen van afgebrokkelde muren.
‘Het lijkt wel alsof het gebouw er voor gemaakt is’, hoor ik James naast mij fluisteren.

Een week voor de opening slaap ik bij hem. Stoned liggen we naast elkaar.
‘Ik zie een happening voor me op de slotavond, de dood van het hele project. We gaan een geweldige afsluiting maken. Ons dodenhuis, een grote kerk, een kathedraal.’
‘Een kerk?’
‘Een lange rij slingert door het gebouw, een processie. …. brandende kaarsen, overal de kist door en langs. Een wandelend koor, symbolisch naar het crematorium.’
‘Klinkt heel katholiek. Mijn vader, zwaar gereformeerd draait zich om in zijn graf als hij hoort dat zijn zoon vriendschap heeft met een katholiek en met die katholiek zelfs in bed ligt.’
Een slappe lach volgt. Hikkend draai ik me naar hem toe, kijk tegen zijn rug aan. Ik wil een arm om hem heen slaan, maar doe het niet.

Een week na de opening vertel ik enthousiast aan de telefoon over mijn bijdrage aan de lijkenboetiek en het crematorium. Opengeknipte armen en benen van gips die uit een container staken pasten uitstekend als decoratie, opgelicht door het black light.
‘Och, och, toe maar’, klonk het bezorgd.
‘Het crematorium was trouwens een hele constructie, een ingewikkeld werk. Je moet het echt een keer komen zien!’
Ze zwijgt. Dan ineens:
‘Spelen met de dood. Moet ik serieus komen kijken?’

Een uur voor de afgesproken tijd nestel ik me bij de ingang met een boek, naast de lijkkoets. Met moeite concentreer ik mij op de tekst. Zacht onafgebroken klinkt de dodenmars, het geluid komt uit de kist. Regen is voorspeld op deze winderige herfstdag. Beide grote deuren staan wijd open. Bladeren fladderen nu en dan naar binnen. Plotseling zie ik haar op de brug. Ik zwaai en zet de stoel aan de kant.
Ze leest direct hardop de tekst boven de ingang:
Het leven is de buitenkant van de dood.
‘Nu ga ik dus de binnenkant in. Kom ik wel uit? Met of zonder bloemen?
We lachen beide.
‘Oh, die muziek, die komt mij bekend voor.’


We lopen door een korte galerij waar schilderijen hangen. Overbodig merk ik op dat dit taferelen zijn waarin de dood op een of andere manier voorkomt. Ze knikt. Onze wandeling gaat over het kerkhof waar oude deuren zijn neergelegd, schuin oplopend. Ze stellen grafstenen voor met gedichten erop geplakt. Ze buigt zich voorover, ik lees snel:
‘Hier ligt Poot, hij is dood.’
Ze glimlacht.
‘Dat zou jij verzonnen kunnen hebben.’
‘Ja, nee, dit is een tekst van de dichter die hij tijdens zijn leven schreef voor zijn eigen graf’.
‘Dat snap ik’, ze loopt verder en mompelt ineens, ‘drie mannen heb ik al overleefd, je zou er bijna iets van gaan denken.’
Verrast door haar uitgesproken gedachte leek het mij een goed moment de eerste van een reeks voorgenomen vragen te stellen.
‘Waar ik nog steeds moeite mee heb ….. dat je niet op de begrafenis van mijn vader bent geweest….’
Ze reageert niet. Ik denk: een verkeerd moment, te snel. Deze opmerking zorgt juist voor meer afstand. Zwijgend lopen we verder, zij iets voor mij uit.

Vreemd, zij is mijn moeder maar ze lijkt een bezoeker. Geen band, geen gevoel, niets.
‘Wat is dat daar?’ Ze wijst schuin omhoog.
‘Dat is de lijkenboetiek!’
‘O ja, daar vertelde jij over. Dat is jouw werk.’
Binnen geef ik haar een ketting met aan het uiteinde een kleine doodskop.
‘Als herinnering.’
Ze zwaait er kort mee en stopt hem in haar handtas.
‘Dank je. Leuk cadeau voor een van de kleinkinderen. Of moet ik die zelf omhangen?’
‘Nee nee’, zeg ik snel, ‘ik wil niets opdringen.’


Even later wandelen we de zelfmoordruimte in, ooit kleedkamer voor het personeel waar nog steeds rijen lockers staan.
‘Hier houd jij je tegenwoordig mee bezig.’
‘Nou nee, dit is de kamer van de vriend wiens idee dit allemaal is.’
‘Die heeft zelfmoord gepleegd?’
‘Nee, nee, deze ruimte heeft hij ingericht.’
Ik leg uit dat zich achter elke deur een suggestie voor zelfdoding bevindt. In sommige kasten in miniatuur op de bovenste plank.
‘Om je op een idee te brengen?’, met moeite trekt ze een deur open die nogal knarst.
‘Nee, ja, ik bedoel, wat in het leven gebeurt wanneer je het niet….’
‘Dat is de locomotief van jouw broers trein! Van hem?’
Ik moet mij tegen haar aandrukken om naar binnen te kijken. Ze doet direct een stap opzij.
‘Geen idee. Misschien een speelgoedtrein van James, uit zijn jeugd.’


Een van de deuren open ik en na mijn uitnodiging kijkt ze voorzichtig naar binnen. Op de achterwand is een grote foto van een zee te zien. Nu, denk ik, de vraag:
‘Herinner je je nog de keren in de keuken? Jij stond erbij. Mijn hoofd drukte hij onder de kraan ……’
‘Nee.’
‘Ik dacht dat ik stikte. Een smerige actie. Maffia. Als ik een moorddadige inslag had zou ik hem vandaag nog neerschieten.’
‘Tja’, zegt ze kalm, ‘hij heeft sadistische trekjes ja.’
Ze draait zich weg van de kastenwand.
‘Ik bedank je voor nog meer suggesties. Is hier ook ergens iets te drinken?’
Zwijgend knik ik richting theehuis of melkweg zoals James die gedoopt had. Ik neem mij voor goed te letten op de timing wanneer ik informatie over vroeger van haar wil krijgen. Teveel geef ik haar de kans mijn mond te snoeren. Alles zo licht mogelijk houden.
‘Wat was mijn vader nou echt voor een man?’, vraag ik vriendelijk.
‘Hoe kom je daar nu ineens bij?’

Tegenover haar in grote kussens waarover Perzische tapijten liggen wachten we op de bestelde thee. Het zal moeilijk voor haar zijn op te staan. Rustig wachten tot ze antwoord geeft.
We luisteren zwijgend naar zachte oosterse gamelan muziek die geen begin en geen eind lijkt te hebben.
‘Lang geleden in het museum van Volkenkunde speelden ze deze muziek ook, het ging maar door, die spelers stopten nooit, ze zaten wiebelend te pingelen. Ook drugs waarschijnlijk.’
‘De theetuin dwingt bezoekers bijna ongemerkt het project te ervaren als een vredige plaats om te ontspannen. Om over de wezenlijke dingen van het leven van gedachte te wisselen. Rusten, sterven, doodgaan, het hoort allemaal bij het leven.’
Het is alsof ik James hoor praten. Ze kijkt mij niet aan, heeft meer oog voor de ruimte en de bezoekers.


‘Jij hebt ook aan de inrichting hiervan meegeholpen?’
‘Alleen wat suggesties gegeven. Tijdens het inrichten van mijn lijkenboetiek en crematorium moest ik vaak aan mijn vader denken. Of eigenlijk kon ik dat niet omdat ik zo weinig over hem weet.’
Het duurt geruime tijd voor ze haar mond open doet.
‘Je vader had aardige momenten. Ik heb hem nauwelijks gekend. Hij was meer bezig met zijn geloof. Toen we trouwden dachten we allebei dat de ander rijk was.’
Ik kijk haar gretig aan.
‘Ik heb de fout gemaakt nooit vrienden te maken in mijn leven.’
Verrast kijk ik in haar richting. Ze opent zich? Zoiets heeft ze nog nooit gezegd! De sfeer van de theetuin doet zijn werk! Koortsachtig zoek ik hoe te reageren. Zij is mij voor.
‘Dat crematorium is hier toch vlak bij?’
‘Ja, ja.’
Enthousiast vertel ik over dit onderdeel. Ik weet het zeker. Het moment voor een gesprek dat nog nooit heeft plaatsgevonden komt in zicht.

Ze gaat op de plank liggen en doet haar ogen dicht. Ik schuif haar door het gat in de muur naar binnen, ren naar de achterzijde om haar op te vangen. De assistent knikt en begrijpt dat ik deze bezoeker van haar overneem. Geamuseerd stapt ze van de plank af.
‘Wat een heerlijk warme plek voor de winter! O, twee straalkachels zie ik.’
De opgestoken hand om haar bij het opstaan te helpen wimpelt ze weg. Voor de folders aan de muur over crematie heeft ze geen belangstelling. Ook geen interesse voor het bezoek aan andere ruimten. Dwingend zegt ze nu voldoende heeft meegemaakt.


Teleurgesteld loop ik naast haar richting uitgang. Bij de lijkkoets zien we dat het is gaan regenen.
Ik nodig haar uit om op de bok te zitten. Zodra we naast elkaar zitten schuift ze iets opzijj. Ineens zie ik de foto voor me aan de muur in de huiskamer, met mijn oudste broer trots op haar arm.
‘Wat ik je al lang….….’
Mijn keel zit dicht. Uit mijn ooghoek zie ik dat ze grabbelt in haar tas. Na een paar keer slikken en een diepe ademhaling, hoor mezelf met een schor geluid zeggen:
‘Ik wil vragen…. was je blij dat ik geboren werd?’
We kijken beide recht vooruit.
‘Is het daarom dat je me nooit wilt aanraken?’, klinkt het nauwelijks hoorbaar.
De laatste woorden krijg ik met grote moeite uit mijn mond. In stilte staren we naar buiten, naar het gordijn van regen.


Twee meisjes verschijnen op de brug. De paraplu’s klappen omhoog door de wind. Zodra het tweetal binnen is schudden ze zich droog en passeren ze giebelend. Mijn moeder wijst naar buiten en wil afstappen, kennelijk ziet ze haar transport aankomen. Ik spring naar beneden om haar aan de andere kant te helpen.
‘Echt geen bloemen?’, zegt ze lachend.
Voor de uitgang houdt ze in, opent haar tas en haalt er een paraplu uit die ze probeert open te klappen.
‘Zal ik….’
‘Nee, niet nodig. Die brug kom ik alleen wel over.’
Mijn slotwoord, ingestudeerd. Nu.
‘Het is wachten op jouw dood. Dan zal ik geen last meer hebben van …..hoe zal ik dat zeggen….jouw invloed…’
In een keer draait ze haar hoofd naar mij toe.
‘Je denkt toch zeker niet dat die stopt met mijn dood?’
Dan duikt ze onder de uitgeklapte paraplu en loopt de brug over. Ik blijf haar nakijken tot ze uit het zicht is.

Joop Brussee

30 mei 2020

INTRO

https://nl.wikipedia.org/wiki/Melkweg_(Amsterdam)