STOTEN

onhandig familiebezoek

De monorail in Sydney maakt een lus en loopt door zowel de stad als het havengebied. Aan twee kanten heeft de langzaam rijdende trein een glazen koepel. Naast me zit Tony, de vriend van mijn nicht. In haar tienertijd emigreerde Jane met een familietak naar Australie.
Tony vertelt over de markante architectuur van het beroemde Operahouse dat we in de verte zien liggen aan de rivier.
‘Daar rechts de grote brug waar vanaf elk jaar dat spectaculaire vuurwerk knalt. Je weet zeker dat je niet tot nieuwjaar bij ons blijft logeren?’
Ik schud het hoofd, draai telkens naar een kant en geniet van het uitzicht. Het havengebied is versierd met gigantische kerstbomen vol slingers en ballen.
‘Links ligt het Ocean Museum, we hebben helaas geen tijd voor een bezoek. Je loopt daar op aanraak afstand onder de haaien door.’
‘Oh, brrrr…’
Overdreven druk ik de ellebogen tegen het lichaam.
‘Grappig hoe je reageert. Laat Jane dat maar niet zien.’
‘Hoezo?’
‘Ze heeft een typisch eigentijdse hobby. Ze doet aan voorspellingen en vertelt graag hoe je in elkaar zit; hoe je jezelf kunt bevrijden uit knellende leefpatronen.’
‘New age?’
‘Zoiets. Beetje obsessief, maar ach, zolang het ontspant. Verpleegster in een ziekenhuis is soms best een heftige job……maar, ik heb je gewaarschuwd.’
‘Zal ik haar nog herkennen?’
‘Geen idee. Voor zover mij bekend vond ze jou vroeger een aardig jongetje. Tegenwoordig hoort ze verhalen over jou via via, je kent dat.’
We drinken nog iets op een terras met een weids uitzicht over het havengebied voordat Tony mij naar het vliegveld brengt.
‘Jij ontwerpt ook in deze stad?’
‘Ook ja, maar meestal in Melbourne waar mijn kantoor staat. Niet ver van waar we wonen. Jammer dat ik vanavond niet bij het kerstdiner kan zijn maar de belangrijkste wedstrijd van het seizoen wil ik echt niet missen.’
‘Begrijp ik.’
‘Bij Jane zul je je niet vervelen. Ze kookt uitstekend en ze is een perfecte gastvrouw.’
‘Ik hoop dat ze me iets kan vertellen over mijn vader. Ik weet nauwelijks iets over hem.’
‘Zeker, oh nee…. nee, ze heeft wel over een vader verteld, maar niet die van jou dacht ik.’

Vanaf het vliegveld neem ik een taxi. De rit naar de wijk waar het tweetal woont laat weinig variatie in het landschap zien: veel bruin, dor en droog. Eucalyptus bomen tekenen zich scherp af tegen een fel blauwe lucht.
Het huis ligt aan de rand van de stad. We stoppen voor een groene strook, iets hoger zie ik een grijze muur waarin een poort. Zowel hor- als huisdeur zijn dicht maar niet op slot. In de gang roep ik aanhoudend de naam van mijn nicht. Na een korte wandeling duikt een half overdekt zwembad op. Aan de overkant klimt een vrouw uit het water en zwaait. Ze droogt zich vluchtig af terwijl ze om het bad loopt.
Ik denk vaag iets bekends in het gezicht te zien. Haar bouw is slank, zoals vroeger. Gezien de leeftijd mag het lichaam er zijn. Sportman Tony past goed bij haar.
‘Welkom, neef uit de oude wereld!’
Ze omhelst mij terwijl ze de handdoek wat onhandig tussen ons ophoudt.
‘Jij bent het. Jane!’
‘Ja! Helemaal. Wil je soms ook?’
Ze wijst uitnodigend naar beneden, naar het licht golvende water dat door de kleur van de tegels blauw ziet. Ik schud het hoofd.
‘Het is niet diep hoor. Als je maar niet duikt. Geniet in ieder geval van het bad tijdens je korte verblijf!’
‘Nee. Misschien zitten er haaien in.’
Ze lacht direct uitbundig en vertelt dat Tony dit bad heeft ontworpen als een organisch onderdeel van het huis. Terwijl zij wegloopt kijk ik in het rond.
‘Zoek een kamer uit’, roept ze nog nadat ze mij een knipoog geeft.

In het toilet zijn alle wanden behangen met ansichtkaarten, bidprentjes, cartoons, familiefoto’s en weiwater bakjes in allerlei vormen en maten, niemand hoeft zich hier te vervelen. Jammer, een zoektocht naar mijn vader levert voor zover ik kan beoordelen niets op. Naast een spiegeltje zit een kleine spin.
Veel toiletten in Nederland zagen er lang geleden ongeveer zo uit. Een trend toen zij met de katholieke familietak de grote sprong naar een nieuw bestaan maakte. Dat verleden heeft ze hier zorgvuldig bewaard. Ongewild wordt mijn blik telkens getrokken door een foto naast de spiegel waar ze samen met Richard op een schoolfeest danst. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat die twee samen een soort verhouding hadden.
Zij was de enige van de familie die hij als jongetje aardig vond. Soms bracht ze een cadeau mee. Haar vertrek sneed in een keer al het contact af.
In de huiskamer valt me op dat de grote brede ruimte grenst aan een terras met een diepe tuin. Voor een van de ramen staat de kerstboom. Twee opvallend grote schilderijen hangen aan de muur tegenover elkaar. Vanuit de tuin valt op een van de twee een streep zonlicht. Dichterbij zie ik een opgeblazen pop, een Nanna in gescheurd ondergoed. Ze hangt half op een sofa en leunt met een arm tegen een tafeltje, de dikke benen wijd uit elkaar. Een nogal decadent tafereel. Ik lees de titel. Ready to go. Grote schaamlippen nodigen uit binnen te komen. Ik draai een halve slag en kijk naar het andere schilderij, precies even groot. Met minder licht krijgt dat iets spannends. Terwijl ik er naartoe loop zie ik dat het een point of view is vanuit de vagina: kleine Nana’s buitelen in het rond, in een mallotige wereld. Looking for love. Tja, ….. Binnen blijven kan ook.
De glazen deuren naar de tuin staan open. Langs de rand op het terras bevinden zich aan beide kanten grijze bakken vol planten. Jane is waarschijnlijk degene die daarvoor zorgt. Ze heeft nog steeds iets vriendelijks. Ongetwijfeld een aardige vrouw. Bij onze ontmoeting voelde ik een weerstand, een soort drempel.
Plotseling verschijnt de gastvrouw in de deuropening. Gekleed in een luchtige lichtgele jurk die goed past bij het paasfeest. De donkerblonde haren zijn nat. Ze vraagt wat ik wil drinken en zegt dat ik beter in de tuin kan blijven wanneer zij de tafel dekt.

Met een fles bier in de hand kijk ik naar de dunne wolken. Lange grijze en licht oranje strepen kondigen de zonsondergang aan. Het is windstil. Zelfs als ze iets vertelt over mijn vader zal dat beperkt zijn. Kerstmis, een mens filtert de wereld, heeft zin in het goede. Vooral geen moeilijke gesprekken.
Zal ik beginnen over vroeger en haar daarover laten vertellen? Mijn keel is opgeblazen, daar zit iets in de weg. Geluiden klinken uit de kamer: Jane is bezig schalen op tafel uit te stallen.
Na een flink slok bier vallen mij de vogels op. Vanavond is het tijd om gepolijst te relativeren, in de warmte naast de kerstboom. Bij kaarslicht kan dat romantisch worden. Ik loop naar binnen. Tussen de vele gerechten staan drie grote kandelaars waarin lange witte kaarsen prijken.
‘Prachtig! Wat een assortiment. Bestaat er ook al een Australische rijsttafel?’
Jane glimlacht.
Aan de ronde tafel zitten we schuin tegenover elkaar met uitzicht op de tuin. Met een natte vinger draait Jane over de glasrand van haar wijnglas, op zoek naar een toon.
‘Dat deden we vroeger altijd op kerstmis en oudjaar.’
We houden beide het glas omhoog en proosten: zij op mijn komst, ik op haar ontvangst.
Uitgebreid vertel ik over Tony’s rondleiding in Sydney. Sluit af met de vraag of de kleine spin op het toilet gevaarlijk is. Ze schrikt en zegt dat het altijd oppassen is voor spinnen en slangen. Ineens kan ik de hordeur plaatsen bij het binnen komen van het huis.
Ze vertelt enthousiast over de mis van twee dagen geleden.
‘Op kerstavond overvol in de kerk. Elk jaar is de preek ongeveer hetzelfde. Tolerantie. Geduld. In gesprek gaan. Je vijanden liefhebben.’
‘Kortom?’
Snel vervolgt ze:
‘De boodschap dat alleen liefde mensen tot elkaar kan brengen…’
‘… en als gelovig mens doe je dat in je directe omgeving.’
Beide handen open ik en imiteer een priester. Ze knikt en glimlacht terwijl ze lucifers zoekt om de kaarsen aan te steken. Ik had verwacht dat ze haar hand op die van mij zou leggen, maar de actie met de kaarsen slokt haar volledige aandacht op.
‘Alle mensen geven elkaar dan de hand en zeggen naar beide kanten: ik hou van jou, wel heel bijzonder.’
Ze spreekt de woorden vlak uit zonder mij aan te kijken en vervolgt op dezelfde toon:
’Nu jij, als ongelovige.’
Zwijgend glimlach ik.
Wanneer de kaarsen branden beweegt ze opnieuw een vinger over de rand van haar glas, dit keer klinkt soms een flard van een toon die op het punt staat door te breken. Ik laat mijn ogen over de tafel dwalen.
‘Nou…..?, vraagt ze uitnodigend.
‘Wat ziet dat er heerlijk en feestelijk uit Jane!’
Ze dringt niet verder aan. Bij elke schaal volgt een korte uitleg. Daarna eten en drinken we, praten over het bereiden van gerechten. Ineens zegt ze:
‘Begrijp me niet verkeerd, maar ik vermoed dat jij niet van mensen houdt.’ Verbaasd kijk ik op.
‘Het is moeilijk onder woorden te brengen maar…..’ Ik pak mijn glas en zij vervolgt over de mis in de kerstnacht, over de koorzang, volgens haar het hoogtepunt.
‘Op zo’n moment ben je echt verbonden met elkaar. Met mensen, maar ook voel je dat alles in je lichaam…hoe zal ik het zeggen, vibreert. Je staat met jezelf en iedereen in contact.’
‘Holistisch?’
We zweven de new age binnen denk ik en vervolg snel:
‘Hoe kom je erbij dat ik niet van mensen hou?’
Zou ze een film gezien hebben en denken dat mijn journalistieke werk gelijk staat aan liefdeloosheid?
‘Sorry’, verontschuldigt ze zich en schudt haar hoofd waarna ze haar aandacht op de kaarsen richt.
Een kort moment kijkt ze mij met haar grote blauwe ogen aan. Ze schiet vuurpijlen af: je bent schuldig, je hebt geen hart voor andere mensen, je mist het gevoel van verbondenheid als ongelovige. Het doet mij aan de blik van mijn moeder denken.
Waarom deze onverwachte aanval? Mijn optreden misschien? Vermoeidheid na een lange reis kan er voor zorgen dat je jezelf niet helemaal onder controle hebt.
‘Je zegt verbonden. Vanavond zijn wij met elkaar verbonden!’ Ik hef het glas.
‘Jammer dat je zo snel weer vertrekt.’
Ik knik met een volle mond.
‘Je moet niet vergeten een duik te nemen in ons zwembad. Straks …of morgen vroeg voor je weer vertrekt.’
‘Kijk Jane, zodra water in mijn neus komt raak ik in paniek. Denk geen adem meer te kunnen halen.’
‘Je gaat toch niet zeggen dat je nooit zwemt?’
‘Jouw lieve vriendje van vroeger was zo vriendelijk mijn hoofd onder de kraan te houden.’
Ze stopt met eten en kijkt me met grote ogen aan.
‘Water spoot mijn neus en oren in, ik dacht echt dat ik stikte.’
Haar ogen worden groter.
‘Je herinnert je dat misschien nog wel. Hij deed dat voor straf.’
Ze kijkt weg.
Ik dacht: fout over mijn trauma van vroeger te beginnen. Jane was aardig. Verleden is verleden tijd. Ze was er niet bij. Geen beschuldiging. Jane schenkt wijn bij.
‘Wat je ….. ik geloof dat niet’, zegt ze ineens en schudt het hoofd, ‘dit verhaal verzin je. Dat zou hij nooit doen. Dat weet ik zeker. Dat.…komt ergens anders vandaan…misschien een excuus omdat je niet kunt zwemmen? Zoiets.’
Opnieuw begint ze met haar vinger over het glas te draaien. Dit keer sneller, zonder geluid. Geruime tijd zwijgen we.
Ineens staat ze op en loopt naar de hoek van de kamer waar de geluidsinstallatie staat.
‘Soms is praten over het verleden moeilijk…….herinneringen geven nooit het volledige verhaal. Wat je vertelt…jouw lezing is vervormd. Dat kan door van alles in je leven veranderd zijn. Misschien wel een droom geweest.’
Er is een kindeke geboren..…
Zacht, op de achtergrond klinkt de koorzang.
‘Wat een onzin, als je een kind mishandelt ben je schuldig en als de actie door een moeder wordt gedekt of misschien wel aangezet dan is zij mede schuldig…….en als vrienden en familie op bezoek komen en iets merken maar niets doen zijn ook zij schuldig.’
Ze komt terug naar de tafel.
‘Ik begrijp niet wat je allemaal zegt. Schuldig? Ik? Omdat…. meen je dat? Wat moet ik volgens jou gemerkt hebben?’
Ik pers de lippen op elkaar. Waarom begin ik hierover? Vanuit mijn ooghoek zie ik dat ze mij aanstaart.
‘Je gaat te ver. Denk je dat ik ook maar iets geweten heb van…..? Ik ga er nog steeds oprecht van uit dat jullie een heel sterke band hadden. Jouw broer was gek op jou toen je geboren was….’
‘Als katholiek kom je na een biecht altijd op geen schuld uit’, probeer ik zo luchtig mogelijk ze laten klinken. In een keer is haar vriendelijkheid verdwenen. Fluiten naar informatie over vader. Kerstmis, vrede op aarde. Ik bied mijn excuses aan.
Ze loopt terug naar de hoek. Even later klinkt het koor iets luider.
‘Het is toch niet zo dat je hier alleen maar naartoe komt om vervelende dingen te zeggen en tussendoor informatie over je vader wilt horen. Ik heb geen foto van hem als je daar toevallig naar zoekt.’
‘Niet kwaad worden Jane, vertel me gewoon alles wat je van hem weet. Ook al is het nog zo weinig.’
Ze doet haar mond open maar voor ze geluid geeft bedenkt ze zich. Een paar keer wrijft ze met haar hand over haar gezicht.
‘Dat is…. heel moeilijk. Ik weet nu niet meer hoe iets valt bij jou.’
Ze kijkt naar haar wijnglas, haar vinger legt ze op de rand maar ziet af van het wrijven.
‘Je moeder vertelde mij wel iets over hem.’
‘Dat geloofde jij.’
‘Ja natuurlijk. Met je moeder kon ik goed opschieten. Er was geen reden om daaraan te twijfelen. Excuseer me.’
Ze loopt de kamer uit.
Ik schenk wijn in beide glazen. Doorzetten. Haar aarzeling geeft aan dat ze informatie kan geven. De sfeer van het begin moet terug. Een van de drie kaarsen is scheef gezakt. Ik zet hem recht.
Stel dat ik aanbied de tafel af te ruimen? Nee, dan dreigt het gesprek richting rolpatronen te gaan. Ik staar naar de brandende kaarsen. Dezelfde kaars van zojuist zakt weer scheef. Met kaarsvet probeer ik het opnieuw.
Stralend, met de frisheid van eerder die avond verschijnt ze als bij toverslag in de huiskamer. Als een ouvreuse op leeftijd in de pauze van een film loopt ze naar de tafel met brandend koud vuur in een hand en een houten kaasplateau in de andere. Mijn ogen bewegen van de sterretjes naar de spleet tussen haar borsten waar een zilveren ketting hangt met aan het eind een kleine groene steen.
‘Prachtig he? Je zult je dat niet herinneren denk ik maar ik kreeg deze edelsteen van jouw broer bij ons vertrek.’
Het liefst trek ik de halsband van haar nek en slinger hem de tuin in.
Uitnodigend houdt ze stukken gatenkaas op met vlaggetjes aan de prikkers. Zwijgend pak ik een vlag en sta op. In de kerstboom hangen teveel ballen en de piek op de top staat scheef.
‘Het is me opgevallen dat jullie kunstminnaars zijn.’
Ineens staat ze vlak naast me, het glas in mijn hand licht op van de sterretjes.
‘Ja, gek he, die twee schilderijen zagen we lang geleden op een tentoonstelling in Sydney. Een barende vrouw die zichzelf vanuit de vagina vele malen ter wereld brengt. Ze horen echt bij elkaar vind je niet?’
‘Sprekend jouw…’
‘.. tante.’
We moeten beide lachen.
‘Ik niet, gelukkig, dank je.’
Bij de tafel steek ik mijn hand uit om haar te helpen met de derde kaars die maar niet wil branden. Ze schudt haar hoofd, geeft mij de sterrenregen en begint de kaars los te pulken met een nagel.
‘Vandaag probeerde ik me te herinneren hoe wij met elkaar om gingen in de periode dat ik regelmatig bij jullie thuis kwam’, vervolgt ze, ‘ik vond jou een heel lief jongetje dat ik altijd wilde knuffelen.’
‘Maar dat deed je nooit’, zeg ik en steek de uitgebrande stick naast de kerstboom. Daarna loop ik naar de muziekhoek.
‘Is dat zo? Wil je soms iets sterkers?’
‘Whiskey.’
Zou ze vanavond het knuffelen willen oppakken? Vanwege de romantische sfeer kan ik losjes met haar flirten.
‘Ook ijs?’
Ik knik. Een nocturne van Chopin vult de ruimte. De muziek draai ik iets zachter en loop naar de kerstboom, staar naar een zilveren bal. Zal ik mijn handen om haar nek leggen en haar dwingen alles over mijn vader te vertellen. Het laatste restje, ook al is het nog zo weinig, uit haar te knijpen?
Als in een film tracht ze zich te bevrijden waarna we samen al worstelend tegen de kerstboom vallen; zij scheurt haar jurk, de boom valt om en we ploffen op de prikkende stekels.
Ik hoor voetstappen achter mijn rug en een tekening verschijnt voor mijn gezicht. Ik neem het papier van haar over en zoek mijn stoel. De whiskey staat te wachten.
‘Dank je.’
Ze knikt.
‘De sterrenhemel op het moment van jouw geboorte.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Op basis van de gegevens die jouw broer mij stuurde.’
‘Knap. Het lijkt wel een kunstwerk.’
‘Je kunt hem meenemen en inlijsten. Later laat je hem zien aan iemand die er verstand van heeft en vraag je wat het betekent.’
‘Jij weet nu dus alles van mij begrijp ik.’
Ze lacht.
‘Ik heb er kort naar gekeken.’
Wat heeft ze uit de tekening gehaald? Verklaart dat haar gedrag?
‘Lijk ik op mijn vader?’
‘Geen idee, ik heb je vader nooit gezien. Alleen verhalen gehoord. Maar ….’
Vragend kijk ik haar aan.
‘Moeilijke man, zei je moeder. Tja, zij heeft je opgevoed. Met vrouwen heb jij problemen. Misschien wel ….. met alle vrouwen op je weg. Altijd je moeder.’
De stilte die volgt krijgt een steeds zwaardere lading.
‘Dat haal je uit die tekening?’
Ze aarzelt.
‘Ach, combineren. Zoals ik al eerder zei, het gaat bij mensen om de verbondenheid. Wanneer je een verbroken verbinding met jezelf hebt en dat zou bij jou kunnen zijn, kan het voorkomen dat je gevoel afgesloten is van binnen uit. Je merkt het zelf niet op omdat je verhard bent. Je leeft als het ware vanuit de wil van iemand anders.’
Even houdt ze in, om daarna op dezelfde toon verder te praten als iemand die een consult geeft:
‘Alles zal opnieuw in jezelf vrij moeten stromen. Dat betekent: kettingen loslaten en verbindingen opnieuw opstarten.’
Het duizelt in mijn hoofd. Aantekeningen maken? Verbonden, verbroken verbindingen, opnieuw verbinden, kettingen…. jezelf..…opstarten als bij een computer….?
‘Transformeren! Dat proces past ook heel goed in dit Waterman tijdperk.’
Ze spreekt als een autoriteit in oncontroleerbare zaken. Ik neem een flinke slok whiskey.
Wat zij zegt over de wil van anderen interesseert mij. En macht…… oppassen! Nu niet vanuit haar wil verder praten als ik haar tenminste goed heb begrepen.
Ze kijkt mij aan en glimlacht.
Komen er nieuwe pijlen aan? Ze wil de reden van mijn uitval over Richard weten. Mond houden betekent: mij ketenen. Onder haar jurk bungelen als kerstklokjes, de handboeien. Ik kijk naar buiten en zie dat de tuinverlichting inmiddels is aangegaan. Ook de lampjes in de boom geven licht.
Jane’s telefoon vraagt aandacht. Het is Tony vanuit Sydney.
‘Ja, ik geef hem.’
Ze overhandigt mij haar mobiel en verdwijnt.
‘Voor de wedstrijd moest ik nog denken aan wat ik over je broer van Jane hoorde. Je moet zeker daarover verder vragen.’
‘Over wat?’
‘Hij was gek op je. Als klein kind zat je vaak op zijn nek, hij was blij met je te spelen……’
‘Dat…..’
‘Vraag maar, ze zal daarover graag vertellen.’
Traag leg ik de telefoon terug op zijn plaats.
Ik staar naar een van de lampjes, zie de piek op de kerstboom weer scheef staan. Na nieuwe pogingen geef ik het op: telkens wijst de punt in een andere richting. Ik pak de horoscoop en loop naar buiten.
Op papier heeft zij zichzelf informatie gegeven. In haar glimlach laat ze haar macht zien, als kenner van het spiritueel universum. Voorzichtig ga ik op een tuinstoel aan de tafel zitten.
Als klein kind geknuffeld en later gemarteld, hoe valt zoiets te rijmen? Dat staat hier niet in, gezien haar reactie. Ik staar naar de tekening, leg hem neer en kijk omhoog. Sterren en een halve maan, het is nog niet helemaal donker.
Volkomen onverwacht voel ik handen rond mijn nek. Verstijfd blijf ik zitten. Duimen drukken in mijn vlees. Daarna volgt kneden. De pijn voelt niet onprettig aan.
‘Geniet van de massage. Ik probeer wat stijve spieren los te maken.’
Ze heeft krachtige handen. Ineens laten ze weer los. Het geluid klinkt van een ketting die op de tafel wordt gelegd en ik schrik opnieuw wanneer haar handen het werk voortzetten. Ze drukt mijn hoofd naar voren en ik open de ogen. Naast de tekening van de horoscoop ligt de ketting. De steen lijkt groter.
‘Auw, je knijpt nu wel heel hard.’
Na een paar slagen op de schouders zegt ze dat mijn spieren niet los te krijgen zijn. Een laatste dronk stelt ze voor, binnen. Terwijl ik haar volg zie ik dat ze de ketting op de salontafel legt. Kneep ze nu Richard uit of in mijn lichaam?
Ze haalt het plateau kazen op en schurkt zich in een van de andere fauteuils. De pianomuziek klinkt aangenaam op de achtergrond. Ik laat me achterover zakken. Mijn blik blijft rusten op de groene steen.
‘Praat je soms makkelijker wanneer ik de ketting om hang?’
De vraag is absurd. Die halsband wil ik onder luid geschreeuw buiten de straat op slingeren en de eerste de beste automobilist de opdracht geven er de hele nacht over te rijden tot gruis rest. Nog een paar uur kerstmis. Vrede en vooral welbehagen. Glimlachend zie ik hoe ze mijn glas voorziet van een nieuwe bodem.
Mijn ogen zoeken automatisch de ketting. In mijn hoofd begint het licht te draaien. Nadat ik me uit de stoel omhoog heb gewerkt om een stuk kaas te pakken verschuif ik de glazen bak met ijs zo dat de ketting daarachter verborgen blijft. Nu blijft een onduidelijke vlek over. Jane strijkt met een hand door het haar.
Misschien is dit een moment om te vragen waarover Tony sprak? Of juist niet? Jane zegt:
‘Jouw broer, hoe zal ik het zeggen, gebruikte jou toch niet…….….eh, hoe moet ik dat…..…’
De stilte die volgt valt gelijk met een pauze tussen twee muziektracks en ik neem weer een slok.
‘Een afgerichte hond?’, zeg ik kalm, ‘zoiets, of …..’, waarna ik het glas op de tafel zet. Frisse lucht, dat heb ik nodig. Ineens zie ik de jurk van Jane vlak voor mijn gezicht. Haar stem klinkt van boven op een bestraffende toon.
‘Heb je in je leven ooit wel eens stilgestaan bij wat hij als oudste broer voor jou gedaan heeft? Met welke zware verantwoordelijkheid jouw moeder hem heeft belast omdat er geen vader was?
Ik druk de lippen stijf op elkaar. Wat wil ze?
‘Denk aan wat ik eerder zei over een verstoorde verbinding herstellen’, haar stem klinkt zacht en indringend.
Kort draait het in mijn hoofd maar dat is niet verontrustend en vooralsnog eenvoudig te controleren.
‘Ga op zoek naar je gevoel…….dat mis je, je lijkt wel …een lege huls!’
De laatste woorden pingpongen in mijn hoofd alle kanten op. Even denk ik dat zij teveel wijn heeft gedronken. Hoewel…. mijn hoofd gloeit. Ik stoot tegen de schaal bij de poging het glas weer op te pakken. De ketting klettert op de plavuizen.
‘Een lege…. huls……’, fluister ik.
Draait alles zich om? Straks zegt ze dat het verleden mijn schuld is! Mijn schuld dat ik geboren ben!
Ik krijg zin in de rubberen Nana’s te knijpen die plotseling overal in de kamer te zien zijn en ze laten piepen van pijn.
En zij moet luisteren…op de stoel, vastgebonden met slingers en kerstlinten. Met schilderijen door haar hoofd, de polsen vastgebonden met die ketting, brandende kaarsen in haar handen, kerstballen aan de oren, de piek in haar mond.
In die uitdossing als een hoopje vredesmissie dat verbonden verbinden wil kan ze met de liefde de hemel in. Ik, vroeger de schuldige? Dat zei ze echt?
De ketting grabbel ik van de vloer, sta met grote moeite op, alsof mijn benen in een blok hout zijn geslagen en hang het snoer over haar hoofd. Hijgend pak ik haar beet en druk haar lichaam zo stevig als het kan tegen mij aan.
Wat wil ik van haar? Wat…..wil…..ik…….?
Met mijn lippen tegen haar hals hap ik in haar vlees. Ze slaakt een kreet waarop ik direct de huid begin te likken en te zoenen. Mijn vingers krommen zich tot klauwen. Voordat ze iets kan doen geef ik haar een aantal klappen in het gezicht om direct daarna die plaatsen met beide handen te strelen. In een keer stoot ik haar lichaam van mij af. Ze wankelt en valt met een kreet in haar stoel.
‘Sorry’, zeg ik zacht, ‘ik hoop niet dat ik je pijn heb gedaan. Over mij hoef je je geen zorgen te maken.’
Langzaam draai ik van haar weg. In mijn rug voel ik haar grote ogen steken.
Ik waggel de kamer uit richting zwembad. Het water is aangenaam koel.

Joop Brussee

januari 2009

[HOME]