STOTEN

De monorail in Sydney maakt een lus en loopt door zowel de stad als het havengebied. Aan twee kanten heeft de trein een glazen koepel. Tony zit naast mij. Hij is de vriend van mijn nicht die in haar tienertijd met een familietak emigreerde naar Australie.
‘Daar rechts zie je de grote brug waar vanaf elk jaar dat spectaculaire vuurwerk knalt. Je weet zeker dat je niet tot nieuwjaar bij ons blijft logeren?’
Ik schud het hoofd en geniet van het uitzicht. Het havengebied is versierd met gigantische kerstbomen vol slingers en ballen.
‘Kijk daar ligt het Ocean Museum, je loopt daar op aanraak afstand onder de haaien door.’
‘Brrrr…’
‘Grappig die reactie. Laat Jane dat maar niet zien.’
‘Hoezo?’
‘Ze heeft een typisch eigentijdse hobby. Voorspellen en vertellen hoe je in elkaar zit. Als ze op dreef zegt ze hoe je jezelf kunt bevrijden uit knellende leefpatronen.’
‘New age?’
‘Zoiets. Beetje obsessief, maar verpleegster in een ziekenhuis is soms best heftig.’
‘Zal ik haar nog herkennen?’
‘Geen idee. Ze vond jou vroeger een aardig jongetje.’
We drinken nog iets op een terras voordat Tony mij naar het vliegveld brengt.
‘Bij Jane zul je je niet vervelen. Ze kookt uitstekend en ze is een perfecte gastvrouw.’
‘Ik hoop dat ze wil vertellen over mijn vader. Ik weet nauwelijks iets over hem.’
‘Zeker, oh nee..correctie, ze heeft wel over een vader verteld, maar niet die van jou’.

Vanaf het vliegveld neem ik een taxi. De rit naar de wijk waar het tweetal woont toont weinig variatie in het landschap: veel bruin, duidelijk lange tijd dor en droog. Eucalyptus bomen tekenen zich scherp af tegen een fel blauwe lucht.
Het huis ligt aan de rand van de stad. We stoppen voor een groene strook waar iets hoger een poort zichtbaar is in een grijze muur. Zowel hor- als huisdeur zijn dicht maar niet op slot. In de gang roep ik haar naam. Na een korte wandeling duikt een half overdekt zwembad op. Aan de overkant klimt een vrouw uit het water en zwaait. Ze droogt zich vluchtig af en komt direct op mij af.
Haar bouw is slank, zoals vroeger herinner ik me. Gezien haar leeftijd mag het lichaam er zijn. Sportman Tony past goed bij haar.
‘Welkom, neef uit de oude vertrouwde wereld!’
Ze omhelst mij terwijl ze de handdoek wat onhandig tussen ons ophoudt.
‘Jij bent het echt. Jane!’
‘Ja! Wil je soms ook?’
Ze wijst uitnodigend naar het water, blauw door de kleur van de tegels. Ik schud het hoofd.
‘Het is niet diep hoor. Als je maar niet duikt!’
‘Nee! Misschien zitten er haaien in.’
Ze lacht uitbundig en vertelt dat Tony ook dit bad als onderdeel van het huis heeft ontworpen. Na een knipoog loopt ze weg en roept:
‘Zoek een kamer uit.’

Met een fles bier in de hand kijk ik op het terras de grote tuin in die rond het huis loopt. Dunne wolken met lange grijze en licht oranje strepen kondigen de zonsondergang aan. Het is warm en windstil.
Geluiden klinken uit de kamer. Jane is bezig schalen op tafel uit te stallen.
Tussen de vele gerechten staan op tafel drie grote kandelaars waarin lange witte kaarsen prijken.
‘Prachtig! Wat een assortiment. Bestaat er ook al een Australische rijsttafel?’
Jane glimlacht.
Aan de ronde tafel zitten we schuin tegenover elkaar met uitzicht op de tuin. Een vinger draait Jane over de rand van haar wijnglas, op zoek naar een toon.
‘Dat deden we vroeger altijd op kerstmis en oudjaar.’
Wij ook! We proosten: zij op mijn komst, ik op haar ontvangst.

Ze vertelt over de mis van twee dagen geleden.
‘De kerk is op kerstavond overvol. Elk jaar ongeveer dezelfde preek.’
‘Samengevat?’
‘Liefde. Alleen liefde kan mensen tot elkaar brengen…’
‘… en als gelovig mens breng je dat zoveel mogelijk in de praktijk.’
Ze knikt en glimlacht terwijl ze lucifers zoekt om de kaarsen aan te steken.
’Nu jij, als ongelovige. Hoe ga jij met liefde om?’
Ik zwijg. Zodra de kaarsen branden beweegt ze weer een vinger over de rand van haar glas.
‘Nou…..?’
‘Wat ziet dat er heerlijk en feestelijk uit Jane!’
Ze dringt niet aan, geeft een korte uitleg bij elke schaal. We praten over het bereiden van gerechten. Ineens zegt ze:
‘Begrijp me niet verkeerd, maar ik vermoed dat jij niet van mensen houdt.’ Verbaasd kijk ik op en breng een hand naar het glas.
‘Moeilijk onder woorden te brengen maar…..’
‘Hoe kom je erbij dat ik niet van mensen hou?’
‘Sorry’, verontschuldigt ze zich en schudt haar hoofd waarna ze haar aandacht op de kaarsen richt.
Een moment schiet ze met haar grote blauwe ogen vuurpijlen af: je bent schuldig, je hebt geen hart voor andere mensen, als ongelovige. Wie van de familie heeft ze gesproken?
‘Jammer dat je zo snel weer vertrekt’.
Ik knik en vraag waar het toilet is.

Alle wanden zijn behangen met ansichtkaarten, bidprentjes, cartoons, familiefoto’s en weiwater bakjes in allerlei vormen en maten. Een speurtocht naar mijn vader levert niets op.
Veel toiletten in Nederland zagen er lang geleden ongeveer zo uit. Een trend in die tijd. Zorgvuldig door haar meegenomen en bewaard, gekoesterd. Ongewild bewegen mijn ogen telkens naar een foto naast de spiegel waar ze samen met broer Richard op een schoolfeest danst. Die twee hadden toen een verhouding.


Terug in de huiskamer is Jane verdwenen. De lampjes in de kerstboom voor het raam floepen aan. Een groot schilderij vangt enig licht. Een opgeblazen pop, een Nana hangt in gescheurd ondergoed half op een sofa en leunt met een arm tegen een tafeltje, de dikke benen wijd uit elkaar. De titel: Ready to go. Grote schaamlippen nodigen uit binnen te komen. Ik draai een halve slag en kijk naar een ander schilderij, precies even groot dat mij eerder al was opgevallen. Met minder licht krijgt dat iets spannends. Een point of view vanuit de vagina: kleine Nana’s buitelen in het rond, in een mallotig absurde kermis: Looking for love.
‘Je moet vooral ons zwembad niet vergeten. Straks …of morgen vroeg voor je weer vertrekt’, klinkt ineens haar stem. Ik draai me om en schuif weer aan tafel.
‘Kijk Jane, zodra water in mijn neus komt raak ik in paniek. Denk geen adem meer te kunnen halen’, vertel ik op kalme toon.
‘Je gaat toch niet zeggen dat je nooit zwemt?’
‘Jouw lieve vriendje van vroeger was zo vriendelijk mijn hoofd onder de kraan te houden….’
Ze kijkt me met grote ogen aan, verstart een beweging.
‘Water spoot mijn neus en oren in, ik dacht dat ik stikte.’
Haar ogen worden groter.
‘Je herinnert je dat misschien nog wel. Hij deed dat voor straf.’
Haar blik beweegt onrustig over de tafel. Ze schenkt wijn bij.
‘Wat je ….. ik geloof het niet’, ze schudt het hoofd, ‘dat verzin je. Dat zou hij nooit doen. Weet ik zeker. Dat.… komt ergens anders vandaan…gedroomd of ….misschien een excuus omdat je niet kunt zwemmen?’
Opnieuw begint ze met haar vinger over het glas te draaien. Dit keer steeds sneller. Geruime tijd zwijgen we.

Ineens staat ze op en loopt naar de hoek van de kamer waar de geluidsinstallatie staat.
‘Soms is praten over het verleden moeilijk’, klinkt het, ‘herinneringen geven zelden het volledige verhaal. Wat je vertelt…jouw lezing is vervormd. Dat kan door van alles in je leven veranderd zijn.’
Er is een kindeke geboren. Zacht, op de achtergrond klinkt een koor.
‘Onzin. Richard heeft misdadige trekjes volgens mijn moeder, jouw tante. Misschien schrik je omdat je mede schuldig bent.’
Ze komt terug naar de tafel.
‘Ik begrijp niet…..schuldig? Ik? Omdat…. meen je dat? Wat moet ik volgens jou gemerkt hebben?’
Ik pers de lippen stijf op elkaar. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat ze mij aanstaart.
‘Je gaat te ver. Denk je dat ik ook maar iets geweten heb van…..stel dat? Ik ga er nog steeds oprecht van uit dat jullie een heel sterke broederband hadden.’

‘Als katholiek kom je altijd op geen schuld uit.’
Ze loopt terug naar de hoek. Even later klinkt de muziek iets luider.
‘Het is toch niet zo dat je alleen even langskomt om vervelende dingen te zeggen en informatie over je vader te krijgen. Ik heb geen foto van hem mocht je daar naar zoeken.’
‘Sorry Jane, vertel me gewoon alles wat je van hem weet. Ook al is het nog zo weinig.’
Ze doet haar mond open maar voor ze geluid geeft bedenkt ze zich. Een paar keer wrijft ze met de handen over haar gezicht.
‘Dat is…. moeilijk. Excuseer me.’
Ze loopt de kamer uit.
Ik schenk wijn in beide glazen. De sfeer van het begin moet terug. Ze weet iets wat ze niet wil zeggen. Een van de drie kaarsen is scheef gezakt. Ik zet hem recht.
Aanbieden de tafel af te ruimen? Nee, dan praten we over rolpatronen. Ik kijk naar de brandende kaarsen. Dezelfde van zojuist zakt weer scheef. Met kaarsvet probeer ik het opnieuw.

Met de frisheid van eerder die avond staat ze plotseling in de deuropening. Als een ouvreuse op leeftijd in de pauze van een film komt ze wiegend met brandend koud vuur en een houten kaasplateau op de tafel af. Mijn ogen bewegen van de sterretjes naar de spleet tussen haar borsten waar aan een zilveren ketting een kleine groene steen hangt.
‘Prachtig he? Je zult je dat niet herinneren denk ik maar deze edelsteen gaf Richard mij bij ons vertrek.’
In mijn fantasie trek ik de halsband van haar nek en slinger hem de tuin in.
Zwijgend pak ik een vlag met kaas en sta op. In de kerstboom hangen teveel ballen en de piek op de top staat scheef.
‘Het is me opgevallen dat jullie kunstminnaars zijn.’
Ze staat ineens naast me, het glas in mijn hand reflecteert de sterrenregen.
‘Je bedoelt die twee schilderijen? Kochten we lang geleden op een tentoonstelling in Sydney. Een barende vrouw op het ene die zichzelf vanuit de vagina op de andere vele malen ter wereld brengt. Ze horen echt bij elkaar vind je niet?’
Binnen blijven, zou ik ze noemen.’
Het is even stil. Daarna schieten we beide in de lach.
Bij de tafel steek ik mijn hand uit om haar te helpen met de derde kaars die maar niet wil branden. Ze schudt haar hoofd, geeft mij de sterrenregen en begint de kaars los te pulken met een nagel.

‘Vandaag probeerde ik me iets te herinneren over vroeger bij jullie thuis’, vervolgt ze, ‘ik wilde jou altijd knuffelen.’
‘Maar dat deed je nooit’, ik steek de stick naast de kerstboom en loop naar de muziekhoek.
‘Is dat zo? Wil je soms iets sterkers?’
‘Whiskey.’
Zou ze vanavond het knuffelen willen oppakken? In deze romantische sfeer kan ik losjes met haar flirten.
‘Ook ijs?’
Ik knik. Een nocturne van Chopin vult de ruimte. Nu mijn handen om haar nek leggen en haar dwingen alles over mijn vader te vertellen? Het laatste restje, ook al is het nog zo weinig, uit haar te knijpen. Ze tracht zich te bevrijden, samen vallen we al worstelend tegen de kerstboom zij scheurt haar jurk, boom valt om, we ploffen op prikkende stekels.
Van achter hoor ik voetstappen en een tekening verschijnt voor mijn gezicht. Het papier neem ik over en zoek een stoel. De whiskey staat te wachten.
‘De sterrenhemel op het moment van jouw geboorte.’
‘Knap. Het lijkt wel een kunstwerk. Jij weet nu alles van mij begrijp ik.’
‘Ach’, zegt ze lachend, ‘gezien de plaatsing van Venus moet jij problemen met het andere geslacht hebben. Misschien wel ….. met alle vrouwen op je weg. Altijd weer die moeder. van je?’
De stilte die volgt krijgt een zware lading.

‘Haal je die informatie uit de tekening?’
Ze aarzelt.
‘Ach, combineren. Het gaat bij mensen natuurlijk om de verbondenheid. Een verbroken verbinding met jezelf, dat zou zomaar bij jou kunnen. Zoiets kan veroorzaken dat je gevoel afgesloten is van binnen uit. Merk je zelf niet op omdat je verhard bent. Je leeft als het ware voortdurend vanuit de wil van iemand anders’, ze houdt in en ik denk: nu zweven we nu de new age in, ‘normaal gesproken stroomt alles vrij. In jouw geval zou dat betekenen oude kettingen loslaten en verbindingen opnieuw opstarten.’
Het duizelt in mijn hoofd. Aantekeningen maken? Verbonden, verbroken verbindingen, opnieuw verbinden, kettingen…. jezelf..…opstarten als een computer….
‘Transformeren! Dat proces past heel goed in dit Waterman tijdperk.’
Ze spreekt als autoriteit in oncontroleerbare zaken. Ik neem een flinke slok whiskey. Wat zij zegt over de wil van anderen interesseert mij. Maar, dan mag ik nu niet vanuit haar wil verder praten, als ik haar tenminste goed heb begrepen.
Ze kijkt mij aan en glimlacht. Nieuwe pijlen in aantocht? Door mijn verhaal over Richard? Mond houden betekent dat ze mij ketent. Onder haar jurk bungelen als kerstklokjes, de handboeien. Ik zie dat de verlichting in de tuin is aangegaan.

Jane’s telefoon vraagt aandacht. Het is Tony vanuit Sydney.
‘Ja, ik geef hem.’
Ze overhandigt mij haar mobiel en verdwijnt. Tony’s stem is moeilijk te horen.
‘Ik dacht nog over wat Jane over jouw broer vertelde. Vraag haar daarnaar.’
‘Over wat?’
‘Hij was gek op je. Als klein kind zat je vaak op zijn nek, hij was blij met je te spelen……’
‘Dat…..’
‘Vraag maar, ze zal daarover graag vertellen.’
Ik leg de telefoon terug op zijn plaats, blijf staren naar een van de lampjes in de boom, zie dat de piek nog steeds scheef staat. Na een paar pogingen hem recht te zetten geef ik het op: telkens wijst de punt in een andere richting. Met de horoscoop loop ik naar buiten.
Op papier heeft zij zichzelf informatie gegeven. In haar glimlach laat ze macht zien, als kenner van een spiritueel universum. Voorzichtig daal ik neer op een tuinstoel.
Als klein kind geknuffeld, even later gemarteld. Ik kijk naar de tekening.

Volkomen onverwacht voel ik handen rond mijn nek. Duimen drukken in mijn vlees. Daarna volgt knijpen. De pijn voelt niet onprettig aan.
‘Geniet van de massage. Ik probeer wat stijve spieren rond nek en schouder los te maken.’
Ineens houdt het op. Het geluid klinkt van een ketting die op de tafel wordt gelegd. Daarna zetten de handen het werk voort. Ze drukt mijn hoofd naar voren en ik open de ogen. De steen lijkt groter.
‘Auw, je knijpt nu wel heel hard.’
Na ongeveer een minuut schat ik, geeft ze een paar slagen op de rug en zegt dat mijn spieren moeilijk los te krijgen zijn. Ze stelt een laatste dronk voor. Binnen legt ze de ketting op de salontafel. Ik laat me licht achterover zakken in een fauteuil. Onafgebroken blijft mijn blik rusten op de groene steen.
‘Praat je soms makkelijker wanneer ik de ketting om hang?’
Absurde vraag. Die halsband wil ik onder luid geschreeuw naar buiten slingeren en de eerste de beste automobilist de opdracht geven er de hele nacht over te rijden: gruis! Maar … vrede, welbehagen, nog een paar uur kerstmis. Glimlachend zie ik hoe ze mijn glas voorziet van een nieuwe bodem.

Mijn ogen zoeken vanzelf de ketting. In mijn hoofd begint het licht te draaien. Nadat ik me uit de stoel omhoog heb gewerkt om een stuk kaas te pakken verschuif ik de glazen bak met ijs zodat de ketting daar als onduidelijke vlek achter verborgen blijft.
Is dit het moment om te vragen waarover Tony sprak? Of juist niet? Jane zegt:
‘Jouw broer, hoe zal ik het zeggen, gebruikte jou toch niet…….…, hoe moet ik dat…..…’
De stilte die volgt valt gelijk met een pauze tussen twee muziektracks.
‘Een afgerichte hond?’, zeg ik kalm, ‘zoiets, of …..’, het glas zet ik op tafel. Frisse lucht, nu. Maar de jurk van Jane voor mijn gezicht blokkeert het opstaan.
‘Heb je in je leven wel eens stilgestaan bij wat hij als oudste broer voor jou gedaan heeft? Met welke zware verantwoordelijkheid jouw moeder hem heeft belast?’
De lippen stijf op elkaar. Waar wil ze naartoe?
‘Denk aan wat ik zei over een verstoorde verbinding herstellen.’
Het draait in mijn hoofd.
‘Ga op zoek naar je gevoel……. dat mis je, je lijkt wel … een lege huls!’
De laatste woorden pingpongen in mijn hoofd naar alle kanten. Ik stoot tegen de schaal bij de poging het glas weer op te pakken. De ketting klettert op de plavuizen.
‘Een lege…. huls……?’, fluister ik.

Alles draait zich om. Het verleden mijn schuld? Straks gaat ze zeggen: zelf gekozen in een vorig leven. Of mijn schuld dat ik geboren ben! Ik krijg zin in de rubberen Nana’s te knijpen die plotseling overal in de kamer te zien zijn. Ze moeten piepen van pijn.
Jane zal luisteren… op de stoel, vastgebonden met slingers en kerstlinten. Schilderijen door haar hoofd geslagen, polsen vastgebonden met die ketting, brandende kaars in de mond, sterrenregens in de handen, kerstballen aan de oren, de piek in het haar.
In die uitdossing van verbonden missionaris met verbindende liefde de hemel in.
De ketting grabbel ik van de vloer, druk mezelf met grote moeite op, hang het snoer over haar hoofd. Hijgend pak ik haar beet en druk haar lichaam zo stevig als het kan tegen het mijne aan.
Met de lippen hap ik in het vlees van haar hals. Ze slaakt een kreet waarop ik de huid begin te likken en te zoenen. Voordat ze iets kan doen geef ik haar klappen in het gezicht om daarna de plaatsen met beide handen te strelen. In een keer stoot ik haar lichaam wild van mij af. Ze wankelt en valt in haar stoel.
‘Sorry’, zeg ik zacht, ‘ik hoop niet dat ik je pijn heb gedaan. Over mij hoef je je verder geen zorgen te maken.’

Langzaam draai ik van haar weg. In mijn rug voel ik haar grote ogen branden.
Waggelend lukt het de kamer uit te lopen richting zwembad. Aan de rand blijf ik met moeite staan en kijk naar het water. In mijn hoofd hoor ik niet diep. Na een flinke hap adem knijp ik mijn neus dicht, sluit de ogen, mompel ‘vullen’ en stap het water in.

Joop Brussee

januari 2009

[OMZIEN] [SPOT] [FICTIE]