STRAF

een bizarre woensdagmiddag

Nu ga ik de wereld afmaken!
Hijgend stond ik boven op de hoge brug over de gracht. Het was benauwd, de zon scheen flauw. Het hemd plakte op de borst. Ik was direct uit school gaan rennen om zo snel mogelijk thuis te zijn. Onder mijn oksel rook het naar zweet. Of kwam die lucht van beneden? Ik keek over de leuning naar het water, het was donkerrood, de kleur waarin ze dus vandaag de dekens verfden in de fabriek. Richard had over de stank uit de gracht in de krant geschreven. Zijn kamer keek uit op de gracht.
Ik holde de brug af. Mijn hand trilde bij het zoeken naar het slot. De deur van de huiskamer stond op een kier.
‘Daar ben ik……nog even op mijn kamer!’
Voor mamma was dat nooit een probleem. Later lagen de boterhammen op een bord op tafel naast een glas melk. Nu naar boven.
De schoenen uit in de badkamer en met een handdoek veegde ik vlug wat zweet weg. Op mijn kamer trok ik een kartonnen bord onder mijn bed vandaan waarop stond LEVENSGEVAARLIJK!!!, daaronder kleiner: (dus niet storen) en hing dat aan de buitenkant om de knop. Deed binnen met een sleutel de kast naast het bed open. De doos met de omgekeerde deksel schoof ik er voorzichtig uit.
Vanochtend vroeg was het net niet gelukt. De oceaan als laatste was moeilijk door al dat blauw. Alleen een klein gat in de zee en de kaart is af! Eindelijk.
Ik graaide de laatste drie overgebleven stukken uit de doos. Zo gebeurt. In de verte klonk wat gerommel in de lucht, gevolgd door geluid van krakende takken en geruis van bladeren. Beter de deur naar het terras en het het raam ernaast dicht doen. Stel je voor dat het gaat regenen en dat druppels op de kaart waaien.
Een van de drie stukken draaide ik in het gat en zocht de aansluiting. Niemand gelooft dat ik het in mijn eentje heb klaargespeeld. En toch is het zo.
Op het terras klonk het mauwen van Tijger, gevolgd door het klappen van het kattenluik. Net op tijd kon ik hem tegenhouden, voordat hij een poot in de doos wilde zetten.
Ik pakte hem op en zette hem op het bed.
‘Kom je beneden, het eten staat op tafel?!’, klonk het vanuit de verte.
Ze moest even geduld hebben. Straks gaat de handdoek in een keer van de deksel en dan …. ga ik haar verbaasde gezicht zien. Even rilde ik bij dat vooruitzicht.
Tijger sprong van het bed en wilde opnieuw de doos instappen.
‘Nee…jij denkt zeker dat er vis voor jou in de oceaan zit!’
Voor deze keer dan maar de kamer uit. Vlak voor ik de deur dicht deed klonk opnieuw geluid van beneden. Ik schrok. Dat was niet haar stem. Het leek wel de stem van Richard maar ….. nee onmogelijk, hij was op woensdagmiddag nooit thuis. Ik wilde eerst iets terug schreeuwen maar besloot dat toch niet te doen.
Twee stukken. Buiten, ver weg klonk opnieuw gerommel. Het werd iets donkerder in de kamer. Twee! Beide handen begonnen te beven. Rustig blijven en zoeken en ….. ja…. goed, die past!
‘Nu de laatste……’
Plotseling zag ik twee handen verschijnen die mij onder de oksels grepen en me in een keer omhoog trokken.
‘Nee, nee, niet doen, ik kom, ik kom heus wel!
Het laatste puzzelstuk kneep ik stevig in mijn vuist. Alles begon te draaien en te tollen. Mijn voeten gleden over de drempel van de kamer en sleepten over de grond richting trapgat. Ik moet loskomen… mezelf bevrijden, suisde het door mijn hoofd.
Tijdens de afdaling deed ik van alles om mij los te rukken, schopte naar alle kanten. De voeten knalden tegen de muur.
‘Help!!!!!….. !!nee!……. NEE!’
Maar het spartelen hielp niet, wat ik ook deed. Die twee handen leken op een tang. In de keuken hoorde ik ineens de krachtige straal water in de gootsteen.
‘Nee, niet weer, nee, NEE!!!!’
Het volgende moment spoot het water in een oor. Ik probeerde onder de straal uit te komen maar dat mislukte. Het water vulde ineens beide neusgaten, om en om. Ik hapte naar lucht.
‘Ik stik!’ hoorde ik mezelf schreeuwen tussen het geluid van water en bubbels, ‘ik stik……STIK!!!!!
Beide ogen kneep ik stijf dicht. Lucht wilde ik…lucht.. snel……
‘Luis-te-ren jongetje, je-moet-luis-te-ren’, klonk intussen de stem van mijn broer. Op elke lettergreep drukte hij mijn hoofd verder naar beneden.
Plotseling had ik geen kracht meer, alles werd slap. Voor mijn ogen zag het zwart, kleine lichtpuntjes flikkerden. In een keer werd het stil. Alleen hoorde ik mezelf hijgen. De stroom water was gestopt. Uit de verte klonk de stem van mamma, maar ik hoorde niet wat ze zei.
De voeten raakten de vloer. Voorzichtig opende ik mijn ogen. Ik kon net op tijd het aanrecht grijpen om niet te vallen. Het ademen bleef vanzelf heel snel gaan, ik leek wel een stoommachine. Niemand was meer in de keuken.
‘Wat zei je moeder ook alweer?’, klonk de stem van mijn broer vanuit de gang.
Mamma was erbij geweest. Dat wist ik zeker. En ze had niets gedaan.
Op de grond lag het puzzelstuk. Voorzichtig met mijn rug tegen het aanrecht gedrukt zakte ik naar beneden, greep richting blauw, veegde het stuk schoon langs mijn broek en stopte het in mijn zak. Naar buiten! Slingerend haalde ik de keukendeur die meteen open zwaaide.
In de tuin waggelde ik als een dronken man. Over het terras, het grasveld, het pad naar het eind waar de schommel stond.
Wolken met donkere koppen hingen boven de daken. Tijger kwam uit de struiken, sprong naast mij op de plank en begon direct te snorren. Voorzichtig zette hij een poot op mijn schoot en ik aaide hem.
Hevig geruis van bladeren klonk. De struiken in de buurt bewogen flink. De takken leken van elastiek. Tijger schrok van het hevig kraken van een boomtak achter ons en sprong weer op de grond. Mijn benen schopten om en om, de schommel slingerde licht.
Dit keer was ik bijna gestikt. Het leek of Richard mij echt dood wilde maken. Weglopen, dat moest ik. Dat kon elke dag. Alleen…. ze zouden hem weten te vinden en terugbrengen zoals dat vorige maand gebeurd was met een jongen uit de klas.
Grote druppels vielen hier en daar op de grond. Het puzzelstuk mocht niet nat worden. In de zak zat het voorlopig veilig. Ineens klonk het: ‘Oe-ei-weit.’
De indianenkreet kwam vanachter de schutting waarvoor een ladder uitgeklapt stond.
‘Oe-ei-weit’
Samen op een dag hadden het buurvriendje en ik dit speciale geluid om elkaar te roepen, afgesproken. Ik was blij en deed mijn best het gezicht droog te wrijven.
‘Oe-ei-weit!’
In plaats van antwoord geven zoals we gewend waren klom ik snel de trap op.
Even later zaten we allebei op dezelfde hoogte, iets boven de schutting, half onder een grote eikenboom. We keken tegelijk in de richting waar het geluid van onweer vandaan kwam. Na een korte stilte zei hij:
‘Weet je hoe ze in China vroeger mensen dood maakten?’
‘Nee, hoe dan?’
‘Met kleine pijltjes. Mijn vader vertelde over moorden die een rechter oploste, lang geleden, voordat Jesus werd geboren. Dat komt uit een boek.’
We bogen iets dichter naar elkaar en onze stemmen klonken alsof we geheime dingen bespraken.
‘Die pijltjes schoten ze door lange dunne buisjes die ze op mensen richtten.’
‘Zoals onze plastic buizen?’
‘Nee, veel dunner.’
Hij bracht zijn duim en wijsvinger heel dicht bij elkaar.
‘Oh,….. wat voor pijlen waren dat dan?’
‘Niet van papier, maar uit hout gesneden, heel sterk, en met een scherpe punt.’
Ik dacht even na en vroeg:
‘Kon zo’n klein pijltje iemand doodmaken?’
‘Ja, want ze deden gif op de punt en als ze die dan zo in een lichaam naar binnen schoten’, met zijn vinger maakte hij een stekende beweging in zijn nek, ‘dan ging iemand heel langzaam dood; niet direct.’
Ik draaide me naar ons huis, daarna snel weer terug en zei:
’Dat zie je niet zo gauw, zo’n klein pijltje.’
’Nee’, hij schudde zijn hoofd, ‘en je hoort ook geen knal zoals uit een pistool.’
‘En geen bloed zoals bij een mes of een dolk.’
Hij knikte hevig.
‘Goed he? In dat boek lost een rechter al die moorden op want gewone mensen komen daar nooit achter. Mijn vader vertelde dat de vrouw van een Chinees het stiekem met andere mannen deed en daarom vermoordde hij haar op een dag in het tuinhuis.’
‘Ik heb nog nooit zo’n dun buisje gezien, jij?’
‘Nee, maar ik heb er ook nooit naar gezocht.’
‘Nee, ik ook niet.’
Op dat moment kwam een ouder zusje van hem aanrennen. Met een scherp en dwingend stemgeluid eiste ze dat haar broer naar binnen kwam. Meteen klampte ze zich vast aan de trap en keek omhoog naar ons. Ze was duidelijk van plan voorlopig te wachten. Geruime tijd zaten we naast elkaar zonder iets te zeggen. De ogen van mijn vriendje bewogen ineens naar alle kanten. Hij zijn schouders op en deed wat zij vroeg.
Teleurgesteld zette ik de trap op zijn plaats en slenterde de tuin weer in.
Over dat Chinese buisje wilde ik meer weten. Ik liep over het grasveld waar een ligstoel uitgeklapt stond. Voor het straks zou gaan plenzen moest die opgeborgen worden. Met een plof liet ik mij erin vallen.
Van de wolken dwaalde mijn blik naar de schuur. Tijger liep op het dak van de keuken, de staart recht omhoog, het lijf bijna tegen de grond gedrukt. Hij sloop vaak vlak langs die rand. Nu verdween hij onder de bladeren van de grote boom. Misschien sprong hij wel in de tuin van de buren.
Plotseling kreeg ik een idee. Stel je voor dat ik zo’n buisje had, met een pijltje. De schuur grensde aan de bijkeuken met het toilet. Het open wc-raampje zit vlak onder de rand van het dak, aan de kant van de buren. Een paar keer haalde ik diep adem en bleef staren naar het platte dak.
Als ik me voorover buig….dan kan ik iemand op de pot zien zitten. Als Richard poept kan ik op mijn gemak het buisje met de pijl erin op zijn nek richten. Het gif op de punt natuurlijk niet vergeten. Maar dat staat in dat boek.
Ik floot tussen de tanden. Wel oppassen natuurlijk, niemand mag weten dat ik gif in hem schiet. Maar onder de bladeren van de boom ziet niemand mij. Een lijstje wat allemaal nodig is kan ik straks op mijn kamer maken.
Stel je voor, voorgoed van Richard af. Dood. Mooier kan niet. Voordat hij mij vermoordt. Niemand ziet dat en niemand denkt aan mij. Alleen volwassen mensen vermoorden andere mensen.
Ik drukte mij omhoog uit de stoel. Wat was er ook alweer nodig? Een dun buisje, een houten pijltje en….. gif. Kon mijn vriendje dat aan zijn vader vragen zonder te zeggen voor wie dat bestemd was? Er zijn niet veel mensen die boeken over het oude China lezen, daar hoef ik niet bang voor te zijn.
Het begon een beetje te regenen. De weg van de boom naar de kade was niet lang en over het hek kruipen ook niet moeilijk. Ik stond snel op en klapte de stoel in. De boom inklimmen, de plek zoeken en…… Als ik hem vermoord heb ga ik dezelfde weg terug en op straat spelen. Tollen of steentjes gooien in het water of knikkeren.
Steeds harder ging het regenen. Toch klopte er iets niet. Hoe weet ik op straat wanneer hij naar de wc gaat? Ik keek schuin omhoog naar het dak. Tijger zat voor mijn kamerdeur. Dat was een droog plekje. Wacht eens even………dat is de oplossing: vanuit mijn kamer! Gewoon een andere weg! Dat was ook veel eenvoudiger. Met de ingeklapte stoel rende ik naar de schuur. Ineens plensde het.
Binnen in de schuur wreef ik mijn hand net zo lang tot hij droog was en voelde in de broekzak. Het puzzelstuk klemde ik in mijn hand en rende daarna door de stromende regen naar de keuken. Niemand, ook niet in de gang.
Ik sloot me boven op in de badkamer. Voorzichtig haalde ik het blauwe puzzelstuk tevoorschijn. Het was gelukkig helemaal droog gebleven.
Later, in mijn kamer schrok ik en mijn hele lichaam verschijfde als een plank. Een berg puzzelstukken lag naast de deksel op de grond. Tijger? Nee, die kon niet…..

Joop Brussee

november 2005

[home]