AUW

Mollig

Een nakomer. Per ongeluk geboren in de oorlog, vlak na D-day. Uit het derde huwelijk van mijn moeder. Mijn enig echte broer zag slecht, was zeven jaar ouder. In het gezin was een meisje uit het eerste huwelijk en twee jongens uit haar tweede. Zij accepteerden mijn vader niet hoorde ik later. Vrij snel na mijn geboorte stuurde mijn moeder hem het huis uit. Hij mocht mij niet zien. We leefden in een oud huis met een grote tuin aan een gracht in Leiden.
Mijn moeder was teleurgesteld, ze had liever een meisje gehad als hulp in de huishouding. Mijn halfzus werkte en kreeg verkering. Zij droomde van een eigen baby.
Familie, vrienden en kennissen kwamen vaak bij ons over de vloer. De tuin stond vol struiken, fruitbomen, groente en er was een groot grasveld. In de zomer werd daar gedanst, muziek gedraaid en feest gevierd. Door mijn broers.
Als mollige baby leek ik op mijn moeder. Dagelijks snoerde zij haar buik in een korset. Toen de leeftijd aanbrak waarop ik met mijn slechtziende broer kon wandelen kreeg ik haar te horen: onthoud goed jopie, jij bent er voor je broer.

Afgericht

In de tuin had een van mijn halfbroers –de lange-, een kippenhok gebouwd met een vrije uitloop ren. Om de zoveel weken kwam een oom langs die een aantal kippen slachtte. In de schuur hakte hij allereerst de koppen eraf. Daar kon ik niet naar kijken. Die kippen hoorden bij ons leven. Voor de eerste keer, na het zien van de darmen in een emmer moest ik kokhalzen, rende er zover mogelijk vandaan.
Van de halfbroers en mijn moeder moest ik voortdurend boodschappen doen zoals sigaretten kopen en verstelde kleren naar een winkel brengen. Nee zeggen was geen optie.
Mezelf zoveel mogelijk verstoppen werd een gewoonte. Mijn broer die steeds slechter ging zien sloot zich meestal aan bij de twee oudere halfbroers. Hij programmeerde mij tijdens het verplichte wandelen met kneepjes in de hand: voor een stoeprand die eraan kwam of voor het oversteken van een straat. Een soort blinde geleide hond zeg maar.

Schaduw

De oudere broers ontdekten dat ze mij meer en meer konden gebruiken als slaaf. Onder voortdurende bedreiging, anders volgde straf. De oudste –de professor- die soms een vaderrol opgedrongen kreeg, hield mijn hoofd omgekeerd onder de kraan wanneer ik lastig was, ‘om af te koelen‘ noemde hij dat. Water spoot in mijn neusgaten en oren. Het gevolg was: een ernstig trauma. Levenslange angsten waaronder watervrees.
De andere broer –de lange– werkte vaak in de tuin en had een sadistisch genoegen om mij tot op het bot te pesten met het treiterig zingen van teksten als een mantra zoals: zeg jozef jozef, wanneer gaan we trouwen?
Mijn moeder was dus de baas en gaf alleen echte aandacht aan mijn gehandicapte broer. Hij was muzikaal, kreeg een viool. Later zelfs een echte (oude) piano!
Met niemand had ik een vertrouwensband. Nauwelijks vriendjes. Daarbij kwam dat mensen die van buiten over de vloer kwamen mij letterlijk over het hoofd zagen.

Verlegen

Naar de grote school! Hoera, weg van huis! Als verlegen jongetje tussen zoveel kinderen viel ik gelukkig niet op. In de klas gaf dat ook een veilig gevoel. Geen slaaf werk: een soort bevrijding. Ik deed mijn best voor de juffrouw, wilde geen fout maken. Het resultaat: jaar na jaar achten voor vlijt, gedrag en netheid. Buiten schooltijd ging ik het liefst de straat op om maar niet thuis in de buurt van mijn broers te zijn. Snel weg naar de bibliotheek en de stripwinkel. Van de geur van boeken en nieuwe tijdschriften genoot ik. Met kinderen uit de buurt bouwde ik tentjes, bakte op een speelgoedfornuis pannenkoekjes en dronk thee. Bij andere kinderen durfde ik niet te spelen: ik was bang voor hun vader. Zo trok ik mij steeds meer terug en leefde ik in een eigen wereldje, het liefst met een boek in de heel oude fauteuil.

Vader

’s Avonds in bed liet ik mijn ogen ronddraaien en fantaseerde in de ruimte te zweven, in het zwart tussen de sterren. Als voorzorg voor het wilde woelen in mijn slaap bond mijn moeder de dekens elke avond vast aan de zijkant. Zij raakte me nooit aan.
Op een zondag nam ze mij mee voor een wandeling. Plotseling klonk het: Straks ga je je vader zien. Ik schrok geweldig, wist me geen raad. Over een vader dacht ik nooit na, mijn moeder was de enige die ik kende. Wat moest ik tegen hem zeggen? Losrukken en wegrennen nam ik mij voor.
Maar hij was een vriendelijke man die veel lachte. Rond Sinterklaas merkte ik dat ook hij gek was op snoep, vooral marsepein. Na een jaar verdween hij weer. Ik miste hem. Vooral het zitten op zijn knie en naar hem luisteren wanneer hij verhalen vertelde., Dicht tegen hem aan.

Bleek

Op een dag vertrok mijn eigen broer naar een blindeninstituut in Zeist. Ik bleef achter met de halfbroers, de ene werkte; de ander ging studeren in Delft. Wanneer ik ze zag waren ze druk met hun eigen leven, met jazzmuziek en schuine moppen. Mijn zus moest trouwen en had alleen aandacht voor haar baby.
Mijn moeder werkte harder voor een winkel. Voor haar moest ik steeds vaker kleding van en naar die zaak brengen. Contact met andere kinderen buiten school werd minder.
Regelmatig was ik ziek en moest naar de neus-, keel- en oorarts. Trek in eten had ik niet. Het wilde ook niet naar binnen. Dat zorgde voor vermageren, in rap tempo. Ik voelde mij helemaal alleen. Een poging mezelf op een dag te verdrinken onder een schuit in de gracht waar veel kinderen op en af sprongen mislukte. Helaas trokken veel handen mij uit het water.
Naast benjamin, bleekscheet en vel over been noemde mijn moeder mij als ze tijd had naar mij te kijken een mager scharminkel.

Lucht

Vanuit school – vierde klas – werd contact gezocht met onze huisarts. Gedwongen moest ik buitenshuis leren eten. Dat gebeurde op De Leidse Buitenschool, midden in de Katwijkse duinen .
’s Morgens, samen met andere bleekneuzen de tram in. De lessen werden zoveel mogelijk buiten onder bomen gegeven. Van die dennengeur genoot ik! Na de bel van twaalf uur moest iedereen naar de eetzaal. De lucht van gekookte bieten herinner ik mij nog van de eerste keer. De blikken om mij heen dwongen mij iets naar binnen te proppen.
Langzaam kauwen, zo lang mogelijk dacht ik. Slikken lukte niet of heel moeilijk. Wanneer iets echt niet naar binnen wilde haalde ik dat ongemerkt uit mijn mond en stopte -een groentebal- in de broekzak. Nadat de broek uit de was kwam zat de zak meestal dichtgeplakt.

Kleur

In het voorjaar, na een half jaar buitenschool en dagelijks levertraan, was ik aangesterkt. Ik had leren eten en een kleur gekregen door de hoogtezon. Wel keek ik op mijn oude school tegen het speelkwartier op: kinderen speelden en renden vrolijk met elkaar. Voor een jongen in de klas die mij voortdurend achterna zat op straat werd ik doodsbang. Hij zei: Je lijkt wel een meisje. Gelukkig ging het leren steeds beter.

Joop Brussee

4 juni 2020

los

info