JONG

sneltrein door de jeugd

Mollig

Een nakomer, dat was ik. En een ongelukje. Mijn echte broer kon slecht zien en was zeven jaar ouder; onze vader –de ouwe- , was de derde man van mijn moeder. Uit haar eerste huwelijk stamde mijn zus. Twee jongens volgden uit haar tweede. Mijn moeder (40 jaar toen ze mij kreeg) had een behoorlijke omvang. Zij was letterlijk en figuurlijk in huis de baas.
Dat grote huis waarin we met z’n allen woonden was oud en bevond zich aan een gracht in Leiden. Aan de achterkant keken veel buren vanuit hun balkons jaloers neer op onze omvangrijke tuin.
Na mijn geboorte verdween mijn vader vrij snel, samenleven met mijn moeder leek niet meer mogelijk. Zij was teleurgesteld dat ze een jongen kreeg, een meisje was fijn voor hulp in het huishouden. Nu redeneerde ze praktisch: zodra oud genoeg kon ik voor mijn steeds slechter ziende broer een geleidehond zijn.
Familie, vrienden en kennissen kwamen vaak bij ons over de vloer. De tuin met struiken, groente, fruitbomen en een groot grasveld was populair. Daarin werd in de zomer gedanst, muziek gemaakt en feest gevierd.
Als mollige baby leek ik op mijn moeder. Zij hield van eten. Dagelijks snoerde ze haar buik in een korset. Dat vond ik onsmakelijk. Al jong hield ik wel veel van snoepen.
Toen de leeftijd aanbrak waarop ik met mijn broer kon wandelen peperde mijn moeder mij in de oren: ‘Onthoud goed: jij bent er voor je broer.

Afgericht

In de tuin had een van mijn halfbroers –de lange-, een kippenhok gebouwd met een vrije uitloop ren. Om de zoveel weken kwam een oom langs die een aantal kippen slachtte. In de schuur hakte hij allereerst koppen eraf. De dieren liepen nog even door zonder kop. Dat kon ik niet aanzien. Dagelijks deze dieren voeren en hun eieren eten, ze hoorden bij ons leven. Na het zien van de darmen in een emmer moest ik kokhalzen.
Ik speelde graag in de tuin, met zand in een oude stoel waarop een plank lag met een gat erin. Het zand kwam eruit alsof het ijsjes waren. Dromen van snoep en ijsjes beheerste mijn leven. Van de halfbroers en mijn moeder moest ik voortdurend boodschappen doen.
Mezelf verstoppen werd een gewoonte. En wanneer niemand in de buurt was: snoepen! Meer en meer begon het aan tafel gaan om te eten mij tegen te staan. In het gezin hing ik er bij. Mijn werkende zus zag ik zelden en daarbij kreeg ze verkering. Mijn broer die maar slechter bleef zien sloot zich aan bij de twee oudere halfbroers. Hij programmeerde mij tijdens het verplichte wandelen met kneepjes in de hand. Zoals voor een stoeprand die eraan kwam of voor het oversteken van een straat.

Schaduw

De oudere halfbroers ontdekten dat ze mij meer en meer konden gebruiken als een slaaf. Zodra ik in beeld kwam volgde een opdracht. De uitvoering van de commando’s ging onder bedreiging, anders volgde straf. De oudste –de professor- die de vaderrol speelde, hield mijn hoofd omgekeerd onder de kraan wanneer ik lastig was, ‘om af te koelen‘ noemde hij dat. Water spoot in mijn neusgaten en oren. Het gevolg daarvan een ernstig trauma: o.a. levenslange angsten waaronder watervrees.
De andere broer –de lange– werkte vaak in de tuin en had een sadistisch genoegen om mij tot op het bot te pesten met het zingen van mantra teksten op een treiterige toon zoals: zeg jozef jozef, wanneer gaan we trouwen?
Mijn moeder wilde geen last van mij hebben. Volgens haar zeggen had ze veel aan haar hoofd en stond ze overal alleen voor. Voortdurend dreigde ze mij naar het politiebureau te brengen als ik niet gehoorzaam was. Haar aandacht ging uit naar mijn gehandicapte broer. Ik was jaloers. Hij kreeg een viool en later zelfs een echte piano!
Soms sprak ik met een buurjongen uit een groot gezin achter in de tuin. We zaten dan allebei op een trap en over de schutting wisselden we van gedachten, het liefst over verboden dingen. Ik bouwde met niemand een vertrouwensband op. Mensen die van buiten over de vloer kwamen zagen me letterlijk over het hoofd.

Verlegen

Wat was ik blij toen ik 6 jaar werd en naar de grote school mocht. Een avontuur! Als verlegen jongetje tussen zoveel kinderen viel ik gelukkig niet op, gewend als ik was te leven in de schaduw. In de klas gaf dat een veilig gevoel.
Het naar school gaan voelde als een bevrijding. Zoveel mogelijk deed ik mijn best voor de juffrouw, wilde geen fout maken. Altijd achten in mijn rapport voor vlijt, gedrag en netheid. Op school heel kalm, op straat een wildeman.
Graag wandelde ik naar de bibliotheek en de stripwinkel. Van de geur van boeken en tijdschriften genoot ik. Het plezier in lezen groeide: zo snel mogelijk na het eten van tafel glippen en duiken in een boek of stripverhaal.
Dicht bij ons huis was een lorrenboer. Met een van de knechten reed ik graag mee in de bakfiets, spullen ophalen bij mensen aan de deur. Die wilden mij altijd snoep geven. Met water in de mond durfde ik dat toch niet aan te nemen. Thuis hadden ze me bang gemaakt: neem nooit iets van een vreemde aan en houd afstand.
Ik speelde soms met kinderen die veel jonger waren. Als schuw jongetje lukte het niet echte vriendjes te krijgen. Bij andere kinderen thuis ontvluchtte ik hun vaders.
Het liefst leefde ik in mijn eigen wereldje, met snoep en een boek in een oude fauteuil.

Vader

’s Avonds in bed liet ik mijn gesloten ogen ronddraaien en fantaseerde te zweven in de ruimte, in het zwart tussen de sterren. Als voorzorg voor het wilde woelen in mijn slaap bond mijn moeder de dekens elke avond vast. Zij raakte me nooit aan.
Over mijn vader dacht ik niet na. Ik had hem nooit gezien. Thuis werd nooit over hem gesproken. Geen foto kwam ooit tevoorschijn. Op een zondag nam mijn moeder mij mee om te wandelen. Plotseling zei ze: Straks ga je je vader zien. Ik schrok geweldig, wist me geen raad. Stel je voor. Wat moest ik tegen hem zeggen? Gelukkig liepen we op een brede weg. Losrukken en weg rennen kon ik gelukkig, desnoods ervandoor gaan.
Hij bleek een vriendelijke man die veel lachte. Mijn moeder had geld nodig, vandaar zijn komst. Rond Sinterklaas merkte ik dat ook hij gek was op snoep, vooral marsepein. Ik durfde steeds dichter bij hem te komen. Een keer zat ik op zijn knie en luisterde naar een bijbelverhaal. Mijn moeder zag dat en trok mij weg van hem: Hij heeft geen goede invloed, hij maakt je bang met het praten over de duivel! Wat ze zei begreep ik niet. Ik dacht: waarom trouwen mensen als ze het niet met elkaar kunnen vinden? Trouwen en samen leven was maar niks, dat was mij toen wel duidelijk.
Na een jaar verdween hij weer. Ik miste niet alleen zijn verhalen maar vooral dat zitten op zijn knie en naar hem luisteren, dicht tegen hem aan.

Bleek

Op een dag ging mijn eigen broer het huis uit, naar een blindeninstituut in Zeist. Ik bleef achter met de halfbroers, de ene werkte; de ander studeerde. Ze waren druk met hun eigen leven, vooral met jazzmuziek en schuine moppen. Ik ontweek ze zoveel mogelijk want als ze me zagen hadden ze me ineens nodig.
Mijn moeder werkte voor een winkel en voor haar moest ik regelmatig kleding van en naar die zaak brengen. Wanneer mijn zus langs kwam was ze uitsluitend bezig met haar baby. Met niemand had ik thuis contact. Ging vaak de tuin in of straat op.
Zin om te eten verdween geheel. Ondanks aanmoedigingen van mijn moeder aan tafel zat mijn keel dicht, de lippen hield ik stijf op elkaar. Bij een etensgeur uit de keuken werd ik al misselijk, het bijna overgeven een dagelijks ritueel. En de weerzin bleef groeien: ik speelde zo lang mogelijk in de tuin of op straat, probeerde mij te verbergen als de tijd naderde om aan tafel te gaan. Zelfs de zin om te snoepen was er niet meer.
Regelmatig was ik ziek, had problemen met keel en ademhalen. Verzuimen van school, het gebeurde met grote regelmatig. Bezoeken aan de neus-, keel- en oorarts namen toe. Vermageren, het ging ineens in rap tempo. Een poging mezelf op een dag te verdrinken onder een schuit in de gracht mislukte: veel handen van kinderen trokken mij uit het water.
Naast benjamin, bleekscheet en vel over been noemde mijn moeder mij vaal als ze naar me keek een mager scharminkel.

Lucht

Vanuit school – vierde klas – werd contact gezocht met onze huisarts. Gedwongen moest ik buitenshuis leren eten. Dat gebeurde op De Leidse Buitenschool, midden in de duinen.
’s Morgens samen met andere bleekneuzen in de tram naar Katwijk aan zee. In de eetzaal stond voor iedereen een boterham klaar. De lessen werden zoveel mogelijk buiten onder de dennenbomen gegeven. Hoe meer dat gebeurde, hoe meer ik daarvan genoot. Na de bel van twaalf uur moesten we opnieuw naar de eetzaal. Daar zag ik tegenop.
De lucht van gekookte bieten hing in die ruimte toen ik daar voor de eerste keer binnenging en aan een grote tafel moest zitten met andere kinderen. De blikken om mij heen dwongen mij iets naar binnen te proppen.
Langzaam kauwen, zo lang mogelijk, want slikken lukte niet of heel moeilijk. De vraag of ik al een tweede keer had opgeschept beantwoordde ik snel met knikken en hoopte dat niemand mij in de gaten hield. Wanneer iets niet naar binnen wilde haalde ik ongemerkt een opgespaarde etensbal uit mijn mond en stopte die in de broekzak. Nadat die broek uit de was kwam zat de zak meestal dichtgeplakt.

In het voorjaar, na een half jaar buitenschool, was ik aangesterkt. Ik had leren eten, het was een gewoonte geworden zoals tandenpoetsen. Dus terug naar mijn oude school. Daar zag ik dagelijks op tegen het speelkwartier waar andere kinderen renden en vrolijk met elkaar speelden. Voor een jongen in de klas die mij voortdurend achterna zat op straat werd ik doodsbang. Tijdens schooltijd voelde ik me sterk, het leren ging steeds beter. Trots eindigde ik in de zesde klas als nummer twee!
Een paar jaar later kwam een terugval toen ik ontdekte meer van jongens te houden dan van meisjes. Tegen niemand durfde ik daarover iets te zeggen. Zeker niet thuis in de macho wereld van mijn broers die druk waren met meisjes.
Het gevoel van met tegenzin aan tafel gaan kwam terug. Zodra ik aanschoof dacht ik: nu zo snel mogelijk weer weg, de straat op. Er was niemand met wie ik over welk gevoel ook kon praten. Gedachten over dood willen zijn kwamen terug. Maar actie daarvoor stelde ik telkens uit onder het mom van: dat kan altijd nog.

Avontuur

Op een pleintje aan de overkant van de gracht zag ik vaak jongens voetballen. Voorzichtig vroeg ik een keer of ik mee mocht doen. Daarna haalde een buurjongen mij over lid te worden van zijn voetbalclub. Op een ochtend rende ik met tien andere jongens het veld op, genoot van frisse lucht en van de geur van vers gemaaid gras. Voor het eerst kreeg ik een wij gevoel: samen spelen met tien andere jongens. Zin in eten kreeg ik, zelfs trek! Volledig nieuw voor mij.
Van verdiend geld in de vakantie kocht ik een goochelboek. Simpele voorstellingen volgden op een schoolfeest, bij verjaardagen thuis, voor kinderen op een camping en zelfs voor oude mensen in een kerk. Ik kon ineens iets en kreeg daar applaus voor! Het was een vreemd dubbel gevoel: bij elk optreden deed ik het bijna in mijn broek. Bang dat iemand zou zien hoe een truc werkte. Het was eng en spannend tegelijk.
De gedachte kwam op wraak te nemen op mijn oudste broer, de professor. Voor hem studeerde ik een truc in en dacht vooraf: al slaat hij me dood, al vermoordt hij me, ik vertel hem het geheim ervan nooit, NOOIT!

Kip

Tijdens mijn middelbare schooltijd werd ik verliefd op een jongen in de klas. We lachten om dezelfde soort grapjes. Soms reden we op zijn motor naar Scheveningen en speelden daar bowling. Ik vertelde hem over mijn geaardheid. Zijn laconieke reactie: als er niets verandert in hoe we met elkaar omgaan: geen enkel probleem. Jammer, want ik had hem op zijn minst dolgraag willen zoenen. Maar durfde niet. Bang voor mensen.
Jaren later leerde ik een kok kennen: mijn eerste echte vriend. Ik at in die tijd minimaal en al helemaal geen vlees. Als er iets op mijn bord lag waarbij ik aan een dier moest denken kwam het kokhalzen van vroeger terug. Bij het zien van kippenvlees, doemde het beeld van de oom in de schuur altijd weer op.
Die jongen maakte een ragout waarin het vlees van kippen was verwerkt. Met grote tegenzin en vechtend tegen de walging at ik van de grauwe brei. Op dat moment brak het ijs: voorzichtig lukte het kleine beetjes vlees te eten.
In mijn studietijd stond ik regelmatig voor de klas. Kinderen werden mijn publiek, voetbal en toneel hobby’s. Het zelfvertrouwen groeide, contact maken met mensen lukte steeds beter, ondanks dat soms een vervreemdend gevoel mij overviel, alsof ik in een andere wereld leefde. Dan wilde ik snel alleen zijn.
Op kamers, ver weg van waar ik was opgegroeid hoorde het koken als onderdeel van het voor mezelf zorgen erbij. Voor het eerst proefde ik dagelijks het zelf klaargemaakte eten. Genoot daar van. Fantastisch. Die geuren! Zou het echte leven eindelijk beginnen…..?

[Deze blog is geschreven voor de stichting Anorexia voor jongens]

Joop Brussee

4 juni 2020

hobbels info