AFTRAP

opmaat in twintig jonge jaren

serie blogs voor stichting ‘anorexia voor jongens’

Mollig

Een nakomer, dat was ik. En een ongelukje, geboren in de oorlog. Mijn echte broer kon slecht zien en was zeven jaar ouder; onze vader –de ouwe- , was de derde man van mijn moeder. Uit haar eerste huwelijk stamde mijn zus. Twee jongens volgden uit haar tweede. Mijn moeder (40 jaar toen ze mij kreeg) had een behoorlijke omvang. Zij was letterlijk en figuurlijk in huis de baas.
Dat grote huis waarin we met z’n allen woonden was oud en bevond zich aan een gracht in Leiden. Aan de achterkant keken veel buren vanuit hun balkons jaloers neer op onze gigantische tuin.
Na mijn geboorte verdween mijn vader vrij snel, samenleven met mijn moeder leek niet meer mogelijk. Zij was teleurgesteld dat ze een jongen kreeg, een meisje was fijn voor hulp in het huishouden. Nu redeneerde ze praktisch: zodra oud genoeg kon ik voor mijn steeds slechter ziende broer een geleidehond zijn.
Familie, vrienden en kennissen kwamen vaak bij ons over de vloer. De tuin met struiken, groente, fruitbomen en een groot grasveld was populair. Daarin werd in de zomer gedanst, muziek gemaakt en feest gevierd.
Als mollige baby leek ik op mijn moeder. Dagelijks snoerde ze haar buik in een korset. Dat vond ik onsmakelijk. Toen de leeftijd aanbrak waarop ik met mijn broer kon wandelen peperde mijn moeder mij in de oren: ‘Onthoud goed: jij bent er voor je broer.

Afgericht

In de tuin had een van mijn halfbroers –de lange-, een kippenhok gebouwd met een vrije uitloop ren. Om de zoveel weken kwam een oom langs die een aantal kippen slachtte. In de schuur hakte hij allereerst koppen eraf. De dieren liepen nog even door zonder kop. Dat kon ik niet zien. Dagelijks de kippen voeren en hun eieren eten, ze hoorden bij ons leven. Na het zien van de darmen in een emmer moest ik kokhalzen en keek nooit weer.
Ik speelde graag in de tuin, met zand in een oude stoel waarop een plank lag met een gat erin. Het zand kwam eruit en ging in kleine bloempotjes, alsof het ijsjes waren. Van de halfbroers en mijn moeder moest ik voortdurend boodschappen doen zoals sigaretten kopen en verstelde kleren bezorgen.
Mezelf verstoppen werd een gewoonte. Wanneer niemand in de buurt was: snoepen! Meer en meer begon het aan tafel gaan om te eten mij tegen te staan. In het gezin hing ik er bij. Mijn werkende zus zag ik zelden en daarbij kreeg ze verkering. Mijn broer die steeds slechter zag sloot zich aan bij de twee oudere halfbroers. Hij programmeerde mij tijdens het verplichte wandelen met kneepjes in de hand. Zoals voor een stoeprand die eraan kwam of voor het oversteken van een straat.

Schaduw

De oudere halfbroers ontdekten dat ze mij meer en meer konden gebruiken als slaaf. Zodra ik in beeld kregen ze zin mij opdrachten te geven. Uitvoering onder bedreiging, anders volgde straf. De oudste –de professor- die de vaderrol speelde, hield mijn hoofd omgekeerd onder de kraan wanneer ik lastig was, ‘om af te koelen‘ noemde hij dat. Water spoot in mijn neusgaten en oren. Het gevolg: een ernstig trauma zoals levenslange angsten waaronder watervrees.
De andere broer –de lange– werkte vaak in de tuin en had een sadistisch genoegen om mij tot op het bot te pesten met het zingen van mantra teksten op een treiterige toon zoals: zeg jozef jozef, wanneer gaan we trouwen?
Mijn moeder wilde vooral geen last hebben van mij. Volgens haar zeggen had ze veel aan haar hoofd en stond ze overal alleen voor. Voortdurend dreigde ze mij naar het politiebureau te brengen als ik niet gehoorzaam was. Al haar aandacht ging uit naar mijn gehandicapte broer. Ik was jaloers. Hij kreeg een viool en later zelfs een echte piano!
Soms sprak ik met een buurjongen uit een groot gezin achter in de tuin. We zaten dan beide op een trap en over de schutting wisselden we van gedachten, het liefst over verboden dingen. Thuis bouwde ik met niemand een vertrouwensband op. Mensen die van buiten over de vloer kwamen zagen me letterlijk over het hoofd.

Verlegen

Wat was ik blij toen ik 6 jaar werd en naar de grote school mocht. Weg van huis! Als verlegen jongetje tussen zoveel kinderen viel ik gelukkig niet op, gewend als ik was te leven in de schaduw. In de klas gaf dat meteen een veilig gevoel.
Dit naar school gaan voelde als een bevrijding. Zoveel mogelijk deed ik mijn best voor de juffrouw, wilde geen fout maken. Met als resultaat: altijd achten in mijn rapport voor vlijt, gedrag en netheid. Op school dus kalm en veel op straat om niet thuis te zijn.
Graag wandelde ik naar de bibliotheek en de stripwinkel. Van de geur van boeken en nieuwe tijdschriften genoot ik. Het plezier in lezen groeide: zo snel mogelijk na het eten van tafel glippen en duiken in boek of stripverhaal.
Dicht bij ons huis was een lorrenboer. Met een van de knechten reed ik vaak mee in de bakfiets, spullen ophalen bij mensen aan de deur. Die wilden mij altijd snoep geven. Met water in de mond durfde ik dat toch niet aan te nemen. Thuis hadden ze me bang gemaakt: neem nooit iets van een vreemde aan en blijf op afstand.
Ik speelde met kinderen die veel jonger waren. Als schuw jongetje lukte het niet echte vriendjes te krijgen. Bij andere kinderen thuis ontvluchtte ik hun vaders.
Het liefst leefde ik in mijn eigen wereldje, met een boek in een heel oude fauteuil.

Vader

’s Avonds in bed liet ik mijn gesloten ogen ronddraaien en fantaseerde te zweven in de ruimte, in het zwart tussen de sterren. Als voorzorg voor het wilde woelen in mijn slaap bond mijn moeder de dekens elke avond vast. Zij raakte me nooit aan.
Over mijn vader dacht ik nooit na. Ik had hem nooit gezien. Thuis werd met geen woord over hem gesproken. Geen foto kwam ooit tevoorschijn. Op een zondag nam mijn moeder mij mee voor een wandeling. Plotseling zei ze: Straks ga je je vader zien. Ik schrok geweldig, wist me geen raad. Stel je voor. Wat moest ik tegen hem zeggen? Gelukkig liepen we op een brede weg. Losrukken en wegrennen zou kunnen.
Maar hij bleek een vriendelijke man die veel lachte. Mijn moeder had geld nodig. Rond Sinterklaas merkte ik dat ook hij gek was op snoep, vooral marsepein. Ik durfde steeds dichter bij hem te komen. Een keer zat ik op zijn knie en luisterde naar een verhaal uit de bijbel. Mijn moeder zag dat, trok mij weg van zijn schoot: hij heeft geen goede invloed, hij maakt je bang met het praten over de duivel! Wat ze zei begreep ik niet. Ik dacht: waarom trouwen mensen als ze het niet met elkaar kunnen vinden? Trouwen en dan samen leven was niks, dat was heel duidelijk.
Na een jaar verdween hij weer. Ik miste dat soms. Dat stiekem zitten op zijn knie en naar hem luisteren, dicht tegen hem aan.

Bleek

Op een dag ging mijn eigen broer het huis uit, naar een blindeninstituut in Zeist. Ik bleef achter met de halfbroers, de ene werkte; de ander studeerde. Ze waren druk met hun eigen leven, vooral met jazzmuziek en schuine moppen. Ik ontweek ze zoveel mogelijk want als ze me zagen hadden ze me ineens nodig.
Mijn moeder werkte voor een winkel en voor haar moest ik regelmatig kleding van en naar die zaak brengen. Wanneer mijn zus langs kwam was ze uitsluitend bezig met haar baby. Met niemand had ik thuis echt contact. Ik speelde vaak alleen in de tuin.
Zin om te eten verdween geheel. Ondanks aanmoedigingen van mijn moeder aan tafel zat mijn keel dicht, de lippen stijf op elkaar gedrukt. Bij een etensgeur uit de keuken werd ik al misselijk, moest bijna overgeven. Die weerzin bleef groeien: ik speelde zo lang mogelijk in de tuin of op straat, probeerde mij te verbergen als de tijd naderde om aan tafel te gaan.
Regelmatig was ik ziek en moest naar de neus-, keel- en oorarts. Vermageren, het ging ineens in rap tempo. Een poging mezelf op een dag te verdrinken onder een schuit in de gracht waar veel kinderen op en af sprongen mislukte: veel handen trokken mij uit het water.
Naast benjamin, bleekscheet en vel over been noemde mijn moeder mij vaak als ze naar me keek een mager scharminkel.

Lucht

Vanuit school – vierde klas – werd contact gezocht met onze huisarts. Gedwongen moest ik buitenshuis leren eten en aankomen. Dat gebeurde op De Leidse Buitenschool, midden in de duinen.
’s Morgens samen met andere bleekneuzen in de tram naar Katwijk aan zee. In de eetzaal stond voor iedereen een boterham klaar. De lessen werden zoveel mogelijk buiten gegeven. Heerlijk die dennengeur! Na de bel van twaalf uur moesten we opnieuw naar de eetzaal.
De lucht van gekookte bieten hing in die ruimte toen ik daar voor de eerste keer binnenging en aan een grote tafel moest zitten met andere kinderen. De blikken om mij heen dwongen mij iets naar binnen te proppen.
Langzaam kauwen, zo lang mogelijk dacht ik, want slikken lukte niet of heel moeilijk. De vraag of ik al een tweede keer had opgeschept beantwoordde ik altijd snel met knikken en hoopte dat niemand mij in de gaten hield. Wanneer iets niet naar binnen wilde haalde ik ongemerkt een opgespaarde groentebal uit mijn mond en stopte die in de broekzak. Nadat die broek uit de was kwam zat de zak meestal dichtgeplakt.

In het voorjaar, na een half jaar buitenschool, was ik aangesterkt. Ik had leren eten, het was een gewoonte geworden zoals tandenpoetsen. Het betekende terug naar mijn oude school. Tegen het speelkwartier zag ik dagelijks op: kinderen speelden en renden vrolijk met elkaar. Voor een jongen in de klas die mij voortdurend achterna zat op straat werd ik doodsbang. Tijdens schooltijd voelde ik me sterk, het leren ging steeds beter. Trots eindigde ik in de zesde klas als nummer twee!
Een paar jaar later kwam een terugval toen ik ontdekte meer van jongens te houden dan van meisjes. Tegen niemand durfde ik iets te zeggen. Zeker niet thuis in de macho wereld van mijn halfbroers die druk waren met meisjes versieren.
Het gevoel van met tegenzin aan tafel gaan kwam terug. Zodra ik aanschoof dacht ik: nu zo snel mogelijk weer weg, de straat op. Er was niemand met wie ik over welk gevoel ook kon praten. Gedachten over dood willen zijn kwamen terug. Maar actie daarvoor stelde ik telkens uit onder het mom van: dat kan altijd nog.

Avontuur

Op een pleintje aan de overkant van de gracht zag ik vaak jongens voetballen. Voorzichtig vroeg ik een keer of ik mee mocht doen. Daarna haalde een buurjongen mij over lid te worden van Roodenburg. Op een ochtend rende ik met tien andere jongens het veld op, genoot van frisse lucht en van de geur van vers gemaaid gras. Voor het eerst kreeg ik een wij gevoel: samen spelen met tien andere jongens. Zin in eten kreeg ik, zelfs trek! Zoiets was nieuw voor mij.
Van verdiend geld in de vakantie kocht ik een goochelboek. Simpele voorstellingen volgden op een schoolfeest, bij verjaardagen thuis, voor kinderen op een camping en zelfs voor oude mensen in een kerk. Ik kon ineens iets wat anderen niet konden en kreeg daar zelfs applaus voor! Het was een dubbel gevoel want bij elk optreden deed ik het bijna in mijn broek. Bang dat iemand zou zien hoe een truc werkte. Doodeng en spannend tegelijk.
De gedachte kwam op wraak te nemen op mijn oudste broer, de professor. Voor hem studeerde ik een truc in en dacht vooraf: al slaat hij me dood, al vermoordt hij me, ik vertel hem het geheim ervan nooit, NOOIT!

Kip

Tijdens mijn middelbare schooltijd werd ik verliefd op een jongen in de klas. We lachten om dezelfde soort grapjes. Soms reden we op zijn motor naar Scheveningen en speelden daar bowling. Ik vertelde hem over mijn geaardheid. Zijn laconieke reactie: als er niets verandert in hoe we met elkaar omgaan: geen enkel probleem. Jammer, want ik had hem op zijn minst dolgraag willen zoenen. Maar durfde dat niet. Bang voor mensen was ik, altijd maar weer.
Jaren later leerde ik een kok kennen: mijn eerste echte vriendje. Ik at in die tijd minimaal en al helemaal geen vlees. Als er iets op mijn bord lag waarbij ik aan een dier moest denken kwam het kokhalzen van vroeger terug. Bij het zien van kippenvlees, doemde het beeld van de oom in de schuur altijd op.
Die jongen maakte een ragout waarin het vlees van kippen was verwerkt. Met grote tegenzin en vechtend tegen de walging at ik van de grauwe brei. Op dat moment brak het ijs: kleine beetjes vlees eten, het lukte steeds meer.
In mijn studietijd stond ik regelmatig voor de klas. Kinderen werden mijn publiek, voetbal en toneel hobby’s. Het zelfvertrouwen groeide, contact maken met mensen lukte steeds beter, ondanks dat soms een vervreemdend gevoel mij overviel, alsof ik in een andere wereld leefde. Dan wilde ik altijd alleen zijn.
Op kamers, ver weg van waar ik was opgegroeid hoorde het koken als onderdeel van het voor mezelf zorgen erbij. Voor het eerst proefde ik dagelijks het zelf klaargemaakte eten. Genoot daar van. Na deze hectische aftrap kon de wedstrijd van het levens beginnen.

[Deze blogs zijn geschreven voor de stichting Anorexia voor jongens]

Joop Brussee

4 juni 2020

los

info