VRAGEN

Met aan zijn hand een kleine jongen loopt de man de Dam op. Ze passeren het oorlogsmonument waar verlepte bloemen liggen. Op ezels staan kale kransen.
‘Pappa, kijk!’
De man denkt aan de vrijheid die vorig jaar plotseling, 75 jaar na de oorlog ten einde was. In een van de toespraken op 5 mei klonk het alsof die bevrijding van toen gekaapt was door een jongere generatie voor wie het begrip vrijheid ingevuld werd met discriminatie en racisme.
‘Pappa, kijk nou!’
De jongen wijst naar een mimespeler die op het plein zijn kunsten vertoont aan een handvol belangstellenden. Hij trekt zijn vader mee, dwingt hem naar het optreden te kijken.

De pantomime speler ziet er klassiek uit: zijn gezicht is wit geschminkt en hij staat in kleren zoals bij voorstellingen die de man zich herinnert uit zijn jeugd. De jongen vraagt wat er gebeurt.
‘Dat zie je. Hij beweegt, praat met gebaren in plaats van met woorden.’
‘Waarom doet hij dat? Wij zijn toch niet doof?’
‘Nee, dit is een oude vorm van kunst die je soms nog in het theater ziet.’
‘Waarom doet hij dat op straat?’
‘Tja, waarom?’
De kunstenaar houdt de polsen tegen elkaar, alsof zijn handen zijn geboeid. Langzaam beweegt hij zijn hoofd omhoog, toont een trieste blik aan de toeschouwers. De man buigt zich licht voorover en zegt op een iets zachtere toon tegen de jongen:
‘Binnen moet iedereen betalen. Hier lopen mensen voorbij, ze kunnen kijken en sommigen geven geld.’
‘Hij vraagt daar niet om?’
‘Nee, je bent vrij om iets te geven als je dat wilt.’

‘Kijk, hij houdt iets vast’, zegt de jongen.
‘Dat lijken tralies, in een gevangenis. Je ziet ze niet en toch zijn er. Knap!’
‘Hij is heel bang.’
‘Zie je, nu vertelt hij dat van alle kanten gevaar komt.’
‘Waarvoor pappa?’
‘Kijk!’
De expressie op het gezicht van de speler verandert van angst naar kwaad. Dan verslapt zijn lichaam en langzaam wordt hij verdrietig.
‘Wat nu?’, de jongen trilt, zijn lichaam schokt van spanning.
‘Hij krijgt het koud. Hier, dit is voor hem.’
De jongen loopt met een handje munten voorzichtig naar de hoed. Snel rent hij terug.
‘Ik kreeg een knipoog!’
‘Wat aardig. Dat is zijn manier om dank je wel te zeggen.’

Op enige afstand ziet de man twee agenten. Hij zoekt de hand van de jongen met de bedoeling verder te gaan maar die trekt aan zijn arm.
‘Hij wiegt nu een baby. Met een hand, waar is die andere gebleven?’
‘Kom, we gaan verder.’
‘Pappa kijk! Hij heeft ineens iets….dat lijkt wel een spuit?!’
Beide volgen de actie. Nieuwe voorbijgangers blijven staan.
‘Hij wil niet! Hij wil de baby geen spuit geven! Oei, hij laat hem vallen pappa!’
‘Ja, dat zie ik.’
De mimespeler stampt met beide voeten op de injectiespuit.
‘Duidelijk, hij wil niet dat die baby een prik krijgt’, constateert de man droog.

Plotseling verschijnt de hand opnieuw, nu hoger. Tergend langzaam beweegt een nieuwe spuit richting baby. Een doodsbange uitdrukking verschijnt op zijn gezicht en hij draait het kind er zo ver mogelijk vandaan, weg van de dreiging.
De jongen trappelt van spanning.
‘Nee, nee, niet dichterbij!’
Ineens schrikt de kunstenaar. Hij ziet door zijn draai de politieagenten. Hij grijpt razendsnel de hoed en rent weg, verdwijnt achter het monument. Een van de agenten grijpt zijn walkietalkie.

‘Gaan ze hem oppakken pappa?’
‘Daar ben ik bang voor ja.’
‘Waarom?’
De man pakt de hand van de jongen die tijdens het weglopen achterom blijft kijken maar de mimespeler niet meer ziet. Op het plein staan op verschillende plaatsen levende standbeelden, mensen in verschillende kostuums. De eerste die ze passeren lijkt op een buitenaards wezen in een strak zilverkleurig ruimtepak.
‘Kijk, dat lijkt wel een robot, zie je?’
‘Pappa, waarom mag deze robot blijven staan en die aardige man niet?’, de jongen kijkt op naar zijn vader, die denkt: mijn zoon stelt tegenwoordig betere vragen dan journalisten.
‘Goeie vraag…..tja….misschien zijn al de standbeelden wel gevaccineerd. Zitten ze in een onzichtbare gevangenis.’

Joop Brussee

15 mei 2021

INTRO